Rondzendbrieven Sri Lanka en India 2019 > rondzendbrieven > brief 2: koningssteden en natuurparken
Tweede rondzendbrief Sri Lanka-India 2019

Tweede rondzendbrief Sri Lanka-India 2019

[Verzonden op 17-2-2019 vanuit Nuwara Eliya]

Doorgaans is het leuk om via de mail nieuws van het thuisfront te horen, maar dit keer is dat niet zo. Na ruim twee weken krijg ik een mail van de dierentuin dat een van de collega’s een hartinfarct heeft gehad en buiten bewustzijn in kritieke toestand in het ziekenhuis ligt. Een paar dagen later is er opnieuw een mail met het verdrietige nieuws van zijn overlijden. Het is niet te bevatten dat een zo opgewekte en altijd even aardige en hartelijke collega er zomaar opeens niet meer is. Alle gidsen zullen hem en zijn gezelligheid missen. Bij dit soort ingrijpende gebeurtenissen voelt het ook niet fijn om zo ver weg te zijn. Het leven kan toch wel heel grillig zijn.

Eten in Jaffna

Na dit bericht voelt het raar om over te gaan tot de normale orde van de rondzendbrief. Het grootste deel stond al op papier, dus ik laat dat maar zo. De vorige brief ben ik gestopt bij ons vertrek uit Jaffna, helemaal in het noorden van Sri Lanka. We rijden het grootste deel van de heenreis weer terug tot aan Anuradhapura, ons volgende adres. Voordat ik aan Anuradhapura begin eerst nog twee dingen die ik jullie ook nog moet vertellen. Het hotel in Jaffna is uiterst comfortabel en de staf is erg vriendelijk. Bovendien hebben we vanaf het restaurant uitzicht op een palmboom met een spechten- en parkietennest. Prima plek dus. Het enige wat opvalt is dat niemand in het restaurant in staat is om welke bestelling dan ook, foutloos uit te voeren. De thee bij het avondeten – ze schenken geen alcohol – wordt koffie en staat als thee met melk op de rekening. De koffie voor Riks ontbijt wordt dan weer thee. De tussendoor lunch op een excursiedag duurt zo lang dat we die maar cancellen, waarna ze geschrokken aan komen hollen met de verkeerde bestelling. Om fouten te voorkomen, moet je na de maaltijd tekenen voor hetgeen je genuttigd hebt. Op de laatste avond vraag ik de rekening ‘bill’ en maak een schrijfgebaar. De uitermate vriendelijke jongen komt niet terug met de ‘bill’, maar met een kannetje ‘milk’, waar hij na uitleg weer even vriendelijk mee afgaat.

De dieronvriendelijke dolfijnentour in Kalpitiya, deel 2

Het tweede verhaal is een vervolg op de dieronvriendelijke dolfijnentour. Singha stuurt ons de antwoordmail van de lokale agent door. Die geeft aan ons probleem met dit soort tochten te begrijpen, ontkent niet wat wij erover schrijven en geeft impliciet ook toe dat de tochten niet deugen met de woorden ‘dat het in Mirissa (het zuiden) nog erger is’. Lijkt ons geen positieve reclame voor welke dolfijnentocht dan ook. Singha heeft beloofd de tocht te heroverwegen, maar met deze informatie van de lokale agent kan de heroverweging niet langer dan een paar minuten duren en uitsluitend leiden tot het schrappen van deze tocht uit het aanbod, tenzij klanten expres een dieronvriendelijke tocht vragen. Mochten we dat bericht van Singha tijdens deze reis krijgen, laten we jullie dat weer weten.
Lokale agent schrijft verder dat ze ons als genoegdoening een fles wijn bij het diner hebben gegeven. Die hebben we nooit gezien, geeft niet, maar om misverstanden te voorkomen, melden we het toch even. Lokale agent meldt dat het restaurant het vergeten is, maar dat er vanavond in Jaffna alsnog wijn voor ons is. Eerlijk gezegd verkneukelen we ons al een beetje, want het hotel hier schenkt geen alcohol en we horen bij het eten ook niets over wijn. Maar deze avond zien we wel op een andere tafel een fles wijn bij een echtpaar. Zouden ze ook dit fout gedaan hebben? Maar nee, zo leuk wordt het verhaal niet. Als we terugkomen op de kamer staat er een fles mooie wijn met twee glazen en een briefje van beide reisagenten.

Anuradhapura

Goed, inmiddels is het de hoogste tijd voor het vervolg van onze reis. Omdat we bijtijds aankomen in Anuradhapura, maken we ‘s middags een wandelingetje in de omgeving. Vanuit het hotel lopen we zo een stukje bos in waar we leuke vogels, vlinders en bloemetjes zien. Later steken we de weg over en gaan aan de andere kant het bos in waar een uit verspreid staande huisjes bestaand dorpje is. Iedereen zegt ons vriendelijk gedag en knoopt een praatje aan en als ze ons naar een vogeltje zien kijken, wijzen ze steevast een andere vogel aan of vertellen over de pauw die ‘s morgens vroeg te zien is. Hebben de bakkers vooral ‘Für Elise’ als herkenningsmelodie, de visboer komt met een luid en duidelijke ‘Maloe, maloe’ beat langs die onafgebroken doorgaat. Ook hij stopt zijn maloe-maloe wagen even om te horen wie we zijn. Iets verderop stopt hij voor een klant. Er komt een plankje op de grond, een mooie vis wordt op het plankje ontdaan van kop, ingewanden en graten en de rest van de vis gaat in een plastic zakje. Het visafval wordt van het plankje op de weg geveegd; er zijn hier genoeg zwerfhonden die het dankbaar op zullen eten. Na gedane zaken gaat maloe-maloe met zijn wagen met elektronische weegschaal weer luid roepend verder. Zo’n wandelingetje staat in geen enkel programma, maar is een bijzonder genietuitje.

De volgende dag beginnen we vroeg, omdat we naar Anuradhapura en Mihintale gaan en het vanwege de warmte slim is om bijtijds op pad te gaan. J. denkt dat als we vroeg beginnen alles voor de lunch kan, zodat we een vrije middag hebben, wij schatten dat – gezien alle bezienswaardigheden – iets anders in.

Anuradhapura werd in de 4e eeuw v.C. gesticht en was eeuwenlang (van 377 v.Cr. tot 1017 na C.) de hoofdstad van de Ceylonese koningen. Volgens de oudste Boeddhistische kroniek (Mahavansa) werd de stad volgens een goed uitgewerkt stadsplan gebouwd met speciale wijken bedoeld voor bepaalde beroepsgroepen en standen. Na de invasie van 993 werd de druk van de indringers uit Zuid-India te groot. Ondanks zware strijd moest de stad uiteindelijk opgegeven worden en werd door de jungle opgeslokt. Voor boeddhisten is het een erg heilige stad omdat Sanghamitta in 3e eeuw v.C.een loot van de originele (daar zijn ze hier heel trots op) boom der verlichting – de Bodhiboom waaronder Boeddha zijn verlichting zou hebben gevonden – naar Anuradhapura zou zijn gebracht. De stad staat op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO en is een van de toeristische hoogtepunten van Sri Lanka.

Plechtigheid in Anuradhapura, Sri Lanka

Plechtigheid in Anuradhapura, Sri Lanka

Als eerste gaan we de heilige boom bekijken waar ook al zo vroeg massa’s Sri Lankanen zitten te bidden en offers brengen aan de boom. Wij brengen geen offers, maar de boom wil wel dat we de schoenen uitdoen en hem op sokken bekijken. De boom staat goed beschermd tussen hekken en wordt ondersteund, maar de enorme massa mensen – vrijwel allemaal uit respect in wit gekleed – geeft wel aan hoe belangrijk de boom hier wordt gevonden. De Ruwanweliseya dagoba is een van de grootste van Anuradhapura. Een dagoba is niets anders dan een boeddhistische stoepa, die in Sri Lanka dagoba heet. Ook bij deze stoepa moeten de schoenen uit en het petje af. Nou heb ik best veel geduld met Boeddha, maar er zijn grenzen. Ik ben al niet zo hittebestendig, maar met petje, zonnebril en zonnebrand kan ik het aardig volhouden. Maar niets op mijn hoofd in de felle tropische zon, is vragen om problemen. Gelukkig vormt een sjaal onderdeel van mijn PSU, dus ik bied als alternatief een sjaal aan en zeg dat ik die om medische redenen nodig heb, wat eigenlijk nog waar is ook. Boeddha’s volgelingen verwachten kennelijk dat Boeddha ook weer niet zo hardvochtig is om dat te weigeren, dus mag ik met sjaal om en zonder petje wel mee.

De grote stoepa (omtrek 110 m) is echt erg mooi en wordt omgeven door een muur met levensgrote olifanten. Op het platform staan op de hoekpunten kleinere dagboa’s en in de vier windrichtingen staan een soort poorten die vroeger rijk versierd waren, maar nu door de tand des tijds verweerd zijn. Als we er staan horen we luide, opzwepende muziek gemaakt door twee trommels en een indringende slangenbezweerderige fluit. Daarachter komen monniken en daarachter een hele stoet mensen met offers die met z’n allen een loper van 900 m lang boven hun hoofd houden. Het is een stoet uit een dorp ergens in Sri Lanka die hier hun offers komen brengen. Ze lopen al trommelend met hun doek kloksgewijs om de grote dagoba heen en na een poos horen we ze aan de andere kant weer terugkomen. Als ze rond zijn, klimmen de monniken op de treden van de dagoba (waar gewone stervelingen niet mogen komen) en wordt het doek binnengehaald. Vervolgens gaat iemand op pad met het doek om het helemaal rond de dagoba te wikkelen. Het duurt een hele tijd voordat ze met het doek weer terug zijn. Terwijl het dorp met loper en offers langskomt, raakt iedereen de offers en het doek aan, dat heeft volgens zeggen een heilzame werking. Erg indrukwekkend om te zien.

Zou ik alles opnoemen wat we in Anuradhapura zien, dan zouden jullie allemaal in slaap vallen, dus noem ik alleen nog de Isurumuniya tempel. De tempel is gedeeltelijk in een grot gebouwd en heeft een vriendelijke vijver aan de voorkant en een rots als achterkant. Op de rots is een prachtig beeldhouwwerk van een kudde olifanten die in de poel lijken te spelen. Een andere toont een nobele ruiter op zijn paard. Iets lager is een glad plateautje boven de vijver in de rots uitgehouwen. Daar proberen veel mensen zonder goede reden muntjes op te gooien. Aan de andere kant van de tempel is een grot vol vleermuizen. Loop je via de trap de rots op, heb je een mooi uitzicht over de omgeving.

Mihintale

Na de late lunch gaan we naar Mihintale. Mihintale is een bergpiek in de buurt van Anuradhapura en volgens de Sri Lankanen de plek waar de boeddhistische monnik Mahinda en koning Devanampiyatissa elkaar ontmoet hebben. Kennelijk was Mahinda wel overtuigend, want als gevolg van die ontmoeting heeft Sri Lanka het boeddhisme omarmd. Het is nu een plek voor pelgrims met diverse religieuze monumenten en ruïnes. Omdat je bij een berg meestal moet klimmen is er een in vier secties verdeelde trap gemaakt met 1850 treden. Dicht bij de top van de berg staat een kleine stoepa, de Ambbasthala stoepa, daar gebouwd om de plek te markeren waar Mahinda en de koning elkaar ontmoet hebben. Natuurlijk moeten de schoenen weer uit en het petje af en de sjaal om. Er staat ook een beeld van de koning maar aangezien het beeld niet alleen een arm, maar ook zijn hoofd mist, weten we niet hoe de koning eruit zag. Vanaf hier kan je via een ijzeren reling nog verder omhoog naar Aradhana Gala, de top van de berg. Ook een erg heilige plek, want volgens de overlevering is Mahinda die door de lucht kwam, hier geland om met de koning te praten. Wil je de plek zien, moet je dus op kousenvoeten de rots op, wat ik wel, maar Rik maar beter niet doet. Na een mooie, lange culturele dag rijden we om vijf uur terug naar huis.

Ceylonese tok

Grey hornbill in Anuradhapura, Sri Lanka

Grey hornbill in Anuradhapura, Sri Lanka

Grappig is dat J. zich hier meer thuis voelt dan op de plekken waar we eerder waren en die vaak niet in zijn standaardrondje van tien dagen zitten. Hij vertelt ook dat hij alles van de plekken weet, maar zijn informatie is – mede door zijn Engels – heel beperkt. Soms moeten we echt om dingen vragen die we anders zouden missen. Als hij ook nog vertelt dat de mensen vroeger veel meer aten dan nu en wel vier meter lang waren, denken we toch dat onze papieren reisgids op sommige punten iets betrouwbaarder informatie geeft. Maar zijn inzet is goed en hij doet echt zijn best om het ons naar de zin te maken. Sinds hij gemerkt heeft dat we graag naar vogels kijken, stopt hij ook echt als er wat te zien is en probeert hij vogels voor ons op te sporen. Dan nemen we de mensen van 4 meter wel op de koop toe.

Ritigala

De volgende dag staat de wekker vroeg, want we vertrekken om half zeven om naar Ritigala te gaan. Ritigala is een oud boeddhistisch klooster en een bergketen in Sri Lanka. De Ritigala bergketen is een 1.528 ha groot Strict Nature Reserve en daarnaast een archeologische site. De Ritigala berg is met zijn 766 m de hoogste berg in het noorden van Sri Lanka en ligt in de droge zone. Het klimaat op de top staat in schril contrast met het klimaat beneden. Het is er koeler en het regent er meer. De mist en wolken die de top omhullen tijdens de zuidwest moesson, zorgen voor een hoge luchtvochtigheid en een natte bodem in een verder droge omgeving. Als gevolg hiervan heeft de top een unieke vegetatie die je nergens anders vindt.

Natuurlijk kan je dergelijke wetenschappelijke verklaringen aanvoeren, maar de echte oorzaak is Lord Hanuman, de aapgod met bovennatuurlijke krachten. Lord Hanuman reisde met een stuk berg van de Himalaya’s van India naar Sri Lanka. Hij droeg het stuk berg vanwege de geneeskrachtige planten. Zijn broer Prins Laksmana was namelijk levensgevaarlijk gewond geraakt tijdens een slag en alleen een zeldzaam kruid uit de Himalaya kon hem helpen. Hij reisde over Ritigala en liet daar per ongeluk een stuk vallen. Dit ongelukje van Hanuman verklaart hoe de kleine vegetatie van geneeskrachtige planten en kruiden op het miniplateau op de top van Ritigala is ontstaan en waarom die zo verschilt van die lager op de hellingen.

Ritigala is waarschijnlijk al sinds de 1e eeuw v.C. bewoond door monniken en koningen die een veilig toevluchtsoord zochten. Rond de 10e – 12e eeuw schijnt Ritigala verlaten te zijn en heeft de jungle Ritigala overgenomen van de monniken. De ruïnes die nu nog te zien zijn, zijn de restanten van een klooster en van wat andere gebouwen. Wat nog in opmerkelijk goede staat is, zijn de lange paden en een soort rotondes die door de monniken aangelegd zijn als meditatiepaden. Omdat Ritigala midden in de jungle ligt, valt er naast de ruïnes ook veel aan natuur te zien en daarom gaat er een vogelgids, Sanjaya, met ons mee. De bedoeling is dat we Sanjaya in Anuradhapura oppikken, maar dat valt nog niet mee. Hij staat bij een rotonde, maar kennelijk bij een andere dan waar J. denkt. Er volgt druk telefoonverkeer dat erg grappig klinkt omdat we wel honderd keer het woord ‘roundabout’ (rotonde) opvangen en verder natuurlijk niets kunnen volgen. Uiteindelijk lukt het ons om Sanjaya te vinden en gezamenlijk gaan we naar Ritigala.

.

Dankzij de meditatiepaden lopen we over een keurig pad door de jungle. In de jungle is het altijd moeilijk om vogels te spotten, maar het lukt ons zelfs om een aantal kleine moeilijke bruine vogeltjes te spotten. We zien weer leuke dingen, maar we horen ook iets indrukwekkends. Er zitten hier veel aapjes die we zowel zien als horen, maar op zeker moment klinkt het geschreeuw of gebrul veel te diep en niet aapachtig. Het is het gebrul van een luipaard en dat hoor je eigenlijk nooit. Zelfs Sanjaya heeft nog nooit een luipaard gehoord en is erg onder de indruk. We gaan ook niet verder de jungle in, luipaard heeft duidelijk te kennen gegeven dat dit zijn territorium is en daar houden we ons aan.

Sigiriya

De middag is gereserveerd voor een bezoek aan Sigiriya, de beroemde leeuwenrots. Sigiriya, een oud paleis en fortcomplex is een van de meest waardevolle historische monumenten van Sri Lanka en waarschijnlijk het meest bezochte. Het paleis ligt op een massief rotsplateau dat 200 m boven de omringende jungle uitsteekt. Sinds de 3e eeuw v.C. diende het rotsplateau als klooster. In de tweede helft van de 5e eeuw besloot Kasyapa op de plek een koninklijke residentie te vestigen. Kasyapa mag een mooie site achtergelaten hebben, echt sympathiek was hij niet. Hij was de zoon van een niet koninklijke echtgenote van koning Dhatusena. In 477 pleegde hij een coup, vermoordde zijn vader en eiste de troon op. De rechthebbende erfgenaam, Moggallana, vreesde voor zijn leven en vluchtte naar India. Hij richtte daar een leger op om terug te komen om zijn rechtmatige troon op te eisen. Kasyapa die wel wist dat Moggallana het er niet bij zou laten zitten, bouwde daarom zijn paleis met fort op de rots. Het mocht niet baten. Moggallana kwam terug met zijn leger. Jammer genoeg voor Kasyapa interpreteerde zijn leger de strategische manoeuvre van zijn olifant verkeerd en dacht dat hij zich overgaf. Zijn leger koos daarop het hazenpad. Kasyapa die wel inzag dat de zaak verloren was, was te trots om zich over te geven en liet zich in zijn eigen zwaard vallen. En zo kwam er in 495 een einde aan de heerschappij van Kasyapa. Na zijn dood werd Sigiriya een boeddhistisch klooster en is dat tot de 14e eeuw gebleven waarna het verlaten is.

Beneden bij Sigiriya start je bij wat ruïnes van de lagere paleizen en restanten van wat eens riante tuinen waren. Als je heel veel trappen opgeklommen bent, ben je halverwege en dan moet je nog een stukje omhoog voor de spiegelwand en de fresco’s. De spiegelwand is beroemd, omdat die zo gepoetst en gepolijst was, dat de koning zich erin kon spiegelen. Voor de fresco’s moet je een aan de loodrechte bergwand bevestigde behoorlijk steile en open wenteltrap op, die om akelige ongelukken te voorkomen, omhuld wordt door een stevige ijzeren hekwerk. Al van ver zien we allebei dat de wenteltrap voor Rik met zijn hoogtevrees onbegonnen werk is. Ik zal dus alleen verder moeten. Heel jammer, want de fresco’s zijn echt zo mooi en zo goed bewaard gebleven. Omdat het al laat is, is het ondertussen ook rustig genoeg om ze op je gemak te bekijken. De beroemde spiegelwand vind ik een beetje tegenvallen, maar de leeuwenpoten zijn groot en leuk. Terug naar de parkeerplaats laat J. ons nog de gehoorzaal van de koning met zijn zetel zien. Ondertussen zijn er nog maar weinig toeristen over.

Minneriya National Park

Zijn we gisteren al vroeg begonnen, vandaag vertrekken we om kwart voor zes om met Sanjaya naar Minneriya National Park te gaan. Vanaf 1938 was Minneriya een wildlife sanctuary en in 1997 heeft het de status van nationaal park gekregen om zowel het historisch belangrijke waterreservoir (aangelegd jn de 3e eeuw v.C.) als de natuur te beschermen. Het park van 8.890 ha is in het droge seizoen (rond augustus) een toevluchtsoord voor de olifanten uit de verre omgeving. Ook dit park ligt – net als Wilpattu – in de droge zone, maar naast bladverliezend loofbos zijn hier ook grote stukken met meer open vegetatie en stukken met een door olifanten erg geliefd dichte en hoge gras vegetatie.

Olifant in Minneriya National Park, Sri Lanka

Olifant in Minneriya National Park, Sri Lanka

Het is een mooi en rustig park en Sanjaya vindt weer veel voor ons. Tot ons genoegen zien we ook tot twee keer toe een groepje grazende olifanten. De eerste groep loopt langzaam gras etend aan ons voorbij; naast de vrouwtjes lopen twee kleine olifantjes mee. Bij een rots met uitzichttoren mogen we even uit de truck en vanaf de toren zien we opnieuw een groep olifanten. Op de terugweg komen we een tegenligger tegen. Een grote olifantenman komt ons tegemoet op het pad. Hij kijkt wel naar ons maar loopt rustig verder en slaat dan van de weg af de begroeiing in. Had deze man wel slagtanden, Sanjaya vertelt dat opmerkelijk weinig olifantenmannen in Sri Lanka slagtanden hebben. Ze vermoeden dat de populatie olifanten die ooit Sri Lanka bevolkte een hoog percentage mannen zonder slagtanden had en dat die eigenschap zich verder uitgebreid heeft. In een tijd waarin er nog veel illegale handel in ivoor is, is dat helemaal geen gek idee.

Polonnaruwa

Vanuit Minnerya rijden we verder naar Polonnaruwa, maar eerst stoppen we bij een werkplaats waar ze mooi houtsnijwerk hebben. Als we een lang verhaal krijgen over alle houtsoorten, de puurheid van het materiaal, de kwaliteit enz. enz. hebben we eigenlijk al spijt dat we toegestemd hebben om te kijken. Voor de beleefdheid moeten we ook wel even de winkel in, maar we zeggen bij voorbaat vast dat we echt niets gaan kopen. Natuurlijk geeft dat niet. Als we rondlopen zien we een schitterende salontafel met inlegwerk, echt mooi, maar natuurlijk onbetaalbaar vanwege het materiaal en de arbeid. We vragen voor de grap de prijs en alhoewel die ruim boven onze begroting gaat, valt de prijs ons wel mee. Voor we weggaan, kijken we nog een keertje bij de tafel. Ze hebben wel door dat we de tafel mooi vinden en leggen uit dat hij echt niet te duur is. Dat geloven we ook wel, maar kopen doen we hem niet. Ze vragen wat mijn prijs is en ik noem een in mijn ogen te lage prijs (minder dan de helft van de vraagprijs). Verkoper gaat de baas halen. Er vindt een mooi toneelstuk plaats met druk overleg tussen baas en verkoper en dan krijgen we een prijs te zien die ongeveer halverwege vraagprijs en mijn bod ligt. Lijkt alleszins redelijk, maar zulke dure tafels doen we niet. We willen nu echt weg, want het wordt niets. Bij de uitgang krijgt J. door dat er iets speelt en hij krijgt natuurlijk provisie, dus hij begint opnieuw over de goede prijs-kwaliteit verhouding, waarop ik zeg dat het voor ons teveel geld is, en vraag of hij dan wel de tafel zou kopen. Eindelijk lijken we toch weg te kunnen komen, totdat een derde man aangesneld komt met een prijs die iets boven mijn bod ligt en net iets meer is dan de helft van de vraagprijs. Tja, en zo komt het dat er binnenkort een ingelegde salontafel per boot de grote oversteek naar de haven van Rotterdam gaat maken.

Na deze enerverende gebeurtenis komen we dan toch in Polonnaruwa, de tweede hoofdstad van Sri Lanka. Eind 10e, begin 11e eeuw vielen de Chola het land binnen en verdreven de koningen uit Anuradhapura. De Chola’s verplaatsten de hoofdstad naar Polonnaruwa omdat die plaats beter te beschermen was tegen boze invasies, daar de meest vruchtbare landbouwgrond was en er minder muggen waren. Koning Vijayabahu I (koning van 1055-1110) slaagde erin de Chola te verdrijven en zo werd Polonnaruwa de tweede hoofdstad van het rijk. Onder Parakramabahu (koning van 1153-1186) beleefde Polonnaruwa zijn Gouden Eeuw. Handel en landbouw floreerden en de koning stond er op dat er geen druppel water verspild werd. Irrigatiesystemen die veel geavanceerder waren dan die in Anuradhapura werden aangelegd en deze systemen voorzien nog steeds de omliggende rijstvelden van water tijdens de verzengende hitte van het droge seizoen in het oosten van het land.

In Polonnaruwa zijn veel ruïnes te zien en we weten gelijk dat we nu – op het drukst en het heetst van de dag – bij een van de toeristische hoogtepunten zijn. Opvallend is het hoge percentage in grote groepen reizende Nederlanders. Meestal pik je Nederlanders er zo uit, maar als we opvangen ‘Je verwacht toch dat je van al die curries wel goed af kan gaan’, weten we het zeker. Net als in Anuradhapura is er in Polonnaruwa veel meer te zien dan in de brief past, dus ik beperk me tot de Gal Vihara, een enorme rotstempel met vier kolossale uit graniet gehouwen Boeddhabeelden. De 7 meter hoge staande Boeddha is het meest aanwezig en wordt gezien als het mooiste beeld. Daarlangs zie je de 14 meter lange liggende Boeddha en het geheel wordt geflankeerd door twee zittende Boeddha’s. De apen in Polonnaruwa zijn razend brutaal. Kraampjes bij de ingang verkopen kokosnoten en we zien hoe een aap bij een vrouw de kokosnoot zo uit haar handen gritst. Als ik bij Gal Vihara de vieze tempelsokken weer verruil voor de schoenen en ze in hun plastic zakje achter mijn rug in mijn rugzakje probeer te stoppen, omklemmen opeens twee kleine handjes heel stevig mijn hand in een poging het zakje af te pakken. Niet dat de aap altijd al tempelsokken had willen hebben, maar normaal gesproken zitten in plastic zakjes heel wat lekkerdere dingen dan smerige tempelsokken.

Sigiriya Bird Sanctuary en Kaudulla

We hebben in overleg met Sanjaya en J. het programma omgegooid. Op ons programma stond behalve de Sigiriya rots ook nog de beklimming van de Pidurangala rots, het minder bekende broertje van Sigiriya. Die is lastiger te beklimmen dan Sigiriya, bovendien ontbreken er leuningen en hekken langs het steile pad en de bewegwijzering ontbreekt ten dele, zodat je gemakkelijk verdwaalt. Dat lijkt niet de meest geëigende plek voor een duo met flinke hoogtevrees (Rik) en een totaal afwezig gevoel voor richting (Lydia). Want de reisgids mag dan geruststellend schrijven dat je als je verdwaald bent ‘er altijd wel weer uitkomt’, maar dan kennen ze mij nog niet. We skippen dus Pidurangala en gaan naar het Kaudula natuurpark.

Voordat we daar heen gaan, gaan we eerst – weer in alle vroegte – naar het Sigiriya Bird Sanctuary om vogels te kijken. Bij natuurparken verwacht je rust en stilte, maar hier lopen we een groot stuk langs een drukke weg, terwijl we genoeg vogels zien. Aan een kant van de weg is een draadhek dat onder stroom staat om de olifanten tegen te houden. Olifanten zijn intelligente dieren, dus weten ze dat ze bij een stroomdraad weg moeten blijven. Hun oplossing is krachtdadig en vernuftig. Ze hebben gewoon de paal waar het schrikdraad aan vastzit uit de grond getrokken, zodat het hek nu op de grond ligt en je er overheen kan stappen. Na een poosje slaan we een klein onverhard paadje in en we veronderstellen dat we nu over het bospad verder gaan, maar na een klein stukje gaan we terug. Te gevaarlijk met de olifanten. Via een veel rustigere zijweg komen we uit bij de achteringang van de Sigiriya rots die 24 uur per dag bewaakt wordt, zodat geen onverlaat het heiligdom ongezien binnen kan sluipen. De bewakers slapen ‘s nacht in een klein hutje bovenin de boom. Ze moeten wel uitwijken naar de boomhut, want in de avondschemering kunnen er olifanten ronddwalen. We komen uit bij de Pidurangala rots en bekijken nog even de tempel beneden.

In Habarana pikt de jeep ons op om naar het Kaudulla park te gaan, Kaudulla en Minneriya lijken veel op elkaar en zijn eigenlijk zusjes. Het is weer een prachtige rit met als hoogtepunt een lange stop bij de grote tank (kunstmatig meer) waar het wemelt van de vogels en waar we tot mijn grote genoegen twee soorten grielen (merkwaardig uitziende vogels met grote ogen en lange poten) vinden. Ook staat er een groep van wel zes painted storks (Indische nimmerzat, een vrolijk gekleurde ooievaar) dichtbij ons. We zijn erg tevreden dat we de iets te uitdagende Pidurangala rots ingeruild hebben tegen dit park. Ze zijn hier voorzichtig met de toeristen. In de jeep hangt een rode kruis kistje. Of het in noodgevallen echt veel soelaas biedt, betwijfelen we, want het kistje is helemaal leeg.

Dambulla rotstempel

Voordat we na drie nachten ons hotel in Dambulla verlaten, gaan we nog eerst even met Sanjaya op het terrein vogels kijken. Daarna rijden we naar de Dambulla grotten, opnieuw een erg heilige plek met vijf grotten vol Boeddhabeelden en muur- en plafondschilderingen. Om bij de grotten te komen moet je eerst via veel trappen 160 m klimmen, want de grotten liggen halverwege een enorme rots. De grotten – die allemaal door mensen in de berg uitgehouwen zijn – verschillen nogal in ouderdom en grootte. De eerste en oudste grot is erg klein en bijna helemaal gevuld met een liggende Boeddha. De tweede is enorm groot en hoog en bevat onnoemelijk veel Boeddhabeelden naast die van twee koningen. Daarnaast zijn er prachtige plafond- en muurschilderingen in natuurlijke kleuren. De derde grot is kleiner, maar ook heel mooi. Daarna horen we luide muziek en gaan we kijken bij de musici – trommels en fluit – die kennelijk een ceremonie muzikaal omlijsten. Als we verder willen gaan met de laatste grotten, blijken opeens alle grotten dicht te zijn en pas een half uurtje later weer open te gaan. Als Boeddha uitgetukt is en zijn koffie op heeft, mogen we ook de laatste twee – minder interessante – grotten bekijken.

Mahiyangana

Via een prachtige rit met mooie uitzichten rijden we naar ons volgende adres in Mahiyangana. Onze kamer met fietsslot hier verdient toch wel vermelding. We zitten helemaal boven in het gebouw en als we de kamer binnen stappen, blijkt dat we een suite hebben waar een tv van 1,5 * 1 m luid een of andere spannende film aan het afspelen is. We hebben niet alleen bed en een giga tv, maar een zithoek met salontafel en bank, een volledig ingerichte keuken met koelkast, diepvries, gasfornuis, een complete pannenset, serviesgoed, keukenweegschaal, een vol gestapeld afdruiprek, vage potjes en flesjes en een kookboek en een bar met drie draaibare barkrukken. Vanwege de muggen die niet van airco’s houden, is het prettig om ‘s nachts de airco aan te hebben, maar met airco is het fijn om een deken te hebben. Rik trekt daarom de kast open, maar die ligt helemaal vol met kleren en ook de hangkast ernaast hangt propvol. We zien nu ook dat er allerhande privé prullaria staan, inclusief een familiefoto. Kennelijk was het hotel vol en zitten we in de suite van de eigenaar. De deur heeft ook geen normaal slot; aan de buitenkant hangt een blauw fietsslot om de deur af te sluiten. We hebben een giga balkon over de volle lengte van de suite, maar helaas wel in de volle zon. Onze riante suite heeft prachtig uitzicht over het meer waar het hotel aan ligt.

‘s Middags maken we een heerlijk tochtje over het meer. We varen op een soort pontje dat langzaam voort gepeddeld wordt over een heel rustig en vredig meer. Alleen al om je heen kijken is zo mooi. Als cadeautje krijgen we ook nog de grote en zwaar gesnavelde stork-billed kingfisher (een grote ijsvogel) te zien. We varen een flinke tijd en zien langzaam de avond vallen en het licht verdwijnen. Grote groepen reigers en aalscholvers vliegen naar hun overnachtingsplek en enorme groepen groene parkieten vliegen luid kwetterend over om zich klaar te maken voor de nacht.

Madura Oya Nationaal Park

Ook in Mahiyangana komt er weinig van uitslapen. We vertrekken om half zes voor een jeepsafari door het Madura Oya Nationaal Park. Het bijna 60.000 ha grote park biedt niet alleen onderdak aan een grote diversiteit aan dieren en planten, er leeft ook nog een inheemse, etnische groep, de Vedda’s, die op hun traditionele manier van het park gebruik mogen maken. Ook dit park ligt in de droge zone met een vegetatie bestaand uit tropisch droog gemengd altijdgroen bos. Het grootste deel van de bossen heeft te leiden gehad onder kaalkap voor wisselbouw waardoor secundair bos en grote open vlaktes met grasland zijn ontstaan, wat de olifanten dan wel weer waarderen. Ook in dit park zijn weer – kunstmatige – meren. Al die kunstmatige meren of watertanks zijn een wezenlijk onderdeel van Sri Lanka. Al vroeg in de geschiedenis van Sri Lanka, beseften de koningen dat water van cruciale betekenis was en al meer dan 2000 jaar, vangen verbazingwekkend knap geconstrueerde waterwerken in de regentijd het water op in de tanks, zodat er voldoende water wordt opgeslagen voor de droge tijd. Dankzij deze vernuftige water- en irrigatiesystemen kunnen ze hier twee rijstoogsten per jaar realiseren en zo zorgen voor voldoende voedsel.

Met het jeepje gaan we op weg naar het park. Eerst stoppen we buiten het park om toegangskaarten aan te schaffen. Dat valt hier doorgaans niet mee. We weten niet wat er allemaal geregistreerd moet worden, maar vandaag vast heel veel, want we staan met Sanjaya zeker een half uur in de jeep te wachten, terwijl de chauffeur van de jeep en J. toelatingsexamen doen. Er blijkt nog een handicap extra te zijn: ze hebben geen wisselgeld. Gelukkig valt dat met een kleine bijdrage van onze kant te verhelpen. We kunnen nu op weg naar het park, maar stoppen onderweg nog een keer, om een ranger van het park in te laden en zo gaan we met vier man begeleiding – waar we later nog erg blij mee zijn – op pad.

We zien weer veel moois en op zeker moment wordt er geroepen ‘olifant‘ en we zien inderdaad op een afstandje een olifant staan te midden van een groepje rotsen. Als blijkt dat ook de rotsen met hun oren flapperen, hebben we door dat we te maken hebben met een grote groep olifanten. Na een tijdje rijden stoppen we bij een beekje en mogen we even uitstappen. Het is tijd voor een snack bestaande uit kale crackers, een banaantje en een glaasje erg oranje Fanta. We stappen weer in zien nog een olifantenjong met moeder dichtbij op de weg en we krijgen een cadeautje in de vorm van een drongo met onwaarschijnlijk lange staartdraden die eindigen in een soort pluimpje. Met zijn lange staartdraden goed zichtbaar zwierig achter zich aan vliegt hij dwars over de weg.

We gaan op weg naar de watertank en daarvoor moeten we door een diepe plas. Middenin de plas horen we het gierende geluid van doorslippende wielen. De jeep is blijven steken in de modder en we staan muurvast. We stappen allemaal uit en de mannen gaan takken en later plukken droog gras zoeken om voor de wielen te gooien. Wat ze ook doen, het mag niet baten, de wielen draaien als een gek en slingeren verre modderklodders rond, maar de jeep verschuift geen centimeter. Ze proberen zelfs met de krik een wiel omhoog te krijgen, maar ook dat mag niet baten. Duwen helpt ook niet, noch aan de voor-, noch aan de achterkant, daarvoor heb je een olifant nodig. Na verloop van tijd moeten we terug in de jeep en allemaal achterin zitten om de truck te verzwaren. Er liggen inmiddels stapels hooi en takken voor de wielen. Met de achterzijde belast proberen ze het nog een keer en dan geeft de jeep zich na drie kwartier gewonnen en krabbelt langzaam uit de plas. De plannen voor de watertank laten ze maar zitten. De jeep wordt gekeerd. De modderplas wordt met de takken en het gras opgevuld en met hoge snelheid rijden ze de nu lege jeep zonder problemen terug over de plas. Terug uit het park is het jammer genoeg tijd om afscheid te nemen van Sanjaya, de vogelgids. Een gids met zoveel kennis en zo’n aardig mens had van ons wel de hele verdere reis mee gemogen.

Als we later op de middag nog even in de tuin van het hotel rondkijken in de hoop de grote ijsvogel weer te zien, wenkt J. ons en neemt ons mee het terrein af. Hij gaat met ons op zoek naar vogels en doet op een aandoenlijke manier zijn eigen vogelexcursie. In een bosje een stukje van de weg, vinden we ook inderdaad leuke vogeltjes die zo goed in het licht zitten dat Rik ze mooi op de foto krijgt. Zo ontzettend lief dat J. – die absoluut geen vogelaar is – zo zijn best doet om ons op onze manier te verrassen. En over de grote ijsvogel hebben we ook geen klagen. Als we veel later dan gepland naar hem uitkijken, komt hij tot twee keer toe even in zijn eigen boom langs om gedag te zeggen.

Kandy

We zeggen de grote ijsvogel en de suite met fietsslot vaarwel en rijden via een prachtige route de bergen in. Via een weg met achttien genummerde haarspeldbochten rijden we helemaal naar boven. Boven op de berg staat donker naaldbos en boven de donkere bomen ziet J. opeens een grote vogel, de black eagle. Het is een enorme roofvogel die op zijn lichte poten en bek na heel donker is en die majestueus boven het bos en het dal zweeft. Hij is erg trots op zijn vondst en terecht, want later horen we van de vogelgidsen dat het een van de zeldzaamste en moeilijkst te spotten roofvogels van Sri Lanka is. We dalen weer af en korte tijd later zijn we in Kandy waar Sri Lanka’s heiligste tempel staat: de tempel van de tand.

Als het even meezit, komt Rik met een volledig nieuwe garderobe thuis. De eerste week scheurt spontaan zijn fijne lange broek met zijzakken. Gelukkig heeft hij nog exact dezelfde broek (in een andere kleur). Helaas begeeft ook deze tweelingbroer het na een paar dagen, zodat de broekenvoorraad echt zakt beneden het vereiste minimum. Omdat we al vroeg in Kandy zijn, gaan we via wat tempels de stad in en komen daar in een keurige broekenzaak terecht waar Rik – die gelukkig altijd gemakkelijk voor kleren slaagt – twee zeer fatsoenlijke broeken scoort. In de tussentijd is hij ook nog uit een een overhemd gescheurd, maar daarvan is de voorraad voorlopig nog voldoende. Terug lopen we via een park dat vroeger een paleistuin was. Volgens de reisgids zitten er in het park in verborgen hoekjes stelletjes. Dat klopt niet. Overal zitten jonge stelletjes meestal verborgen achter een paraplu.

Later op de middag vertrekken we met J. naar de tempel van de tand om daar de puja – een groot ceremonieel waarbij met veel vertoon het kastje waar de tand in zit aanschouwd mag worden – van half zeven mee te maken. De tempel is zo heilig, omdat daar volgens zeggen een tand van Boeddha wordt bewaard. Overigens moet Boeddha een bijzonder gebit hebben gehad, want er wordt expliciet vermeld dat het om de linkertand gaat. Kennelijk had Boeddha slechts een linker- en een rechtertand.

Voordat de ceremonie begint bekijken we nog het hele complex met nog een zaal met geschenk Boeddha’s uit andere landen en het museum van Raja. Raja was een olifant, maar niet zomaar een olifant. Elk jaar wordt het kastje met de tand in processie de stad rond gedragen en wie mag de tand in zijn kastje dragen? De olifant. Lang niet elke olifant is daar geschikt voor. Allereerst moet het een forse man zijn en moet hij flinke slagtanden in exact de juiste stand hebben. Daarnaast moeten zijn vier poten, zijn penis, zijn slurf en zijn staart de grond kunnen raken. Voor de poten zal dat doorgaans geen probleem zijn. Natuurlijk moet ook het karakter van de olifant deugen om zo’n verantwoordelijke taak te kunnen volbrengen. Raja voldeed aan alle eisen en heeft vele jaren in een schitterend gewaad zijn heilige taak vervuld. Alle goede zorgen van veel dierenartsen ten spijt is Raja toch op hoge leeftijd overleden. Nu staat hij opgezet in zijn eigen museum met zijn mooie pak naast hem en omgeven door verbleekte foto’s uit zijn glorietijd.

In de Tempel van de Tand in Kandy, Sri Lanka

In de Tempel van de Tand in Kandy, Sri Lanka

Na het museum gaan we terug naar de tempel en gaan we boven kijken waar achter fraai bewerkte deuren het kastje met tand ligt. We installeren ons op tijd, zodat we goed zicht hebben en zitten als kinderen die wachten op de poppenkast te kijken naar de gesloten deuren. Ter aankondiging van het gebeuren wordt er een verdieping lager muziek – opnieuw met trommel en fluit – gemaakt. Na een tijdje komt er een monnik met een schaaltje jasmijn bloemen, biedt die aan de deur aan en zet ze op een tafeltje. Even later gaat het rechter deurtje open. Er komt een monnik uit en nu mogen er vanaf de andere kant kleine groepjes mensen – allemaal in wit gekleed uit eerbied voor de tand – door hetzelfde deurtje naar binnen om even later uit het linkerdeurtje weer naar buiten te komen. Af en toe lijkt de muziek naar een climax te gaan, maar er blijven alleen maar mensen verdwijnen door de ene deur om door de andere terug te komen. Uiteindelijk zwaait dan toch de middendeur open. We hebben nu zicht op een kelkachtig kastje met veel versieringen waarvan vrijwel niemand ooit ziet wat erin zit. Plotseling gaat het klaphekje waar we achter zitten open en mogen we allemaal langs de open middendeur om een blik op het versierde kastje te werpen. Lange tijd schuifelt de dikke mensenmassa langs het o zo heilige kastje. Overigens wordt de tand maar hoogst zelden getoond en geruchten beweren dat de tand enkele centimeters groot is en verdacht veel lijkt op een bufffeltand en in ieder geval veel te groot is voor een mensentand.

Ook al hebben wij niets met welke religie en welke vorm van aanbidding dan ook, zo’n ceremonieel gebeuren waar veel mensen heilig in geloven is bepaald indrukwekkend. Al de tijd dat we zitten te wachten op de tand, is J. – overtuigd en diep gelovig boeddhist – bezig met een pagode maken van jasmijn bloemen. Hij is er echt zo geconcentreerd mee bezig en is duidelijk overtuigd van het goede ervan.

De brief is weer vol, dus voor nu ga ik stoppen. We zitten inmiddels niet meer in Kandy, maar zijn nu bijna weg uit Kitulgala, waar we een mooie jungletocht maken. Aangezien ze hier nauwelijks werkend internet hebben, zal het nog even duren voor deze brief op de post gaat.