Rondzendbrieven Oost-Europa 2012 > Rondzendbrieven > brief 6: overig Polen - Dresden
Zesde rondzendbrief Oost Europa 2012

Zesde rondzendbrief Oost Europa 2012

[verzonden 12-8-2012 vanuit Dresden]

Ik moet wel zorgen dat ik een beetje bijblijf met schrijven, want de mail moet natuurlijk wel klaar zijn als we weer naar huis gaan. We hebben inmiddels ons laatste dagje Gdansk er op zitten en er valt weer heel wat te vertellen.

Wolfsschanze

De vorige mail ben ik gestopt in Elk. Vanuit Elk hebben we een lange rijdag naar Gdansk. Onderweg doen we in Gierloz de Wolfsschanze aan, de plaats waar Hitler zijn meest oostelijke hoofdkwartier heeft laten bouwen. Tussen 1940 en 1944 hebben dwangarbeiders de geheime bunkerstad Wolfsschanze gebouwd. De plaats was in meerdere opzichten aantrekkelijk: het lag dichtbij Rusland, terwijl Hitler een campagne tegen de Russen plande, er was al voor de aanleg van het complex een goed spoornet, Oost Pruisen was een rustig en veilig Duits gebied en het lag lekker verscholen in de bossen. Het complex is ook nooit gebombardeerd. De geallieerden wisten wel dat het er was, maar de afstand was te groot voor hun vliegtuigen.

Het gebied besloeg een oppervlak van 8 km2 en werd omgeven door hekken en mijnenvelden. Binnen het complex waren verschillende veiligheidszones. Hitler en zijn generaals zaten in de strengst beveiligde zone. De bunkers hadden dubbele wanden en plafonds die wel tot 8 meter dik konden zijn. Tussen de twee wanden waren stenen om schokken op te vangen. Om het complex te camoufleren werd het dak met een dikke laag aarde bedekt en met bomen beplant, De wanden werden bedekt met een mengsel van zeewier, groene verf, zaagsel en cement. Verder werden netten gebruikt om wegen en dergelijke te camoufleren. Op het dak van sommige bunkers was luchtafweergeschut aanwezig. Hitler verbleef hier van 1941 tot 1944 en heeft in totaal 2,5 jaar op het complex doorgebracht. Hier heeft ook kolonel Claus von Stauffenberg in '44 met enkele andere officieren een aanslag op Hitler uitgevoerd door tijdens een stafvergadering een tas met explosieven onder de tafel in de vergaderzaal te plaatsen. Er vielen vier doden en elf gewonden, maar Hitler zelf raakte slechts licht gewond aan zijn hand. Als vergelding werden niet alleen de daders, maar zo'n 7.000 onschuldige slachtoffers op de meest gruwelijke manier omgebracht.

De terugtrekkende Duitsers bliezen het complex op wat natuurlijk niet echt meeviel. Nu zie je er vooral restanten van de bunkers bestaande uit grote brokken gewapend beton, stukken staaldraad met een restant steen eraan en scheefgevallen, begroeide brokken bunker. Er staan ook nog grote delen van de bunkers overeind. Officieel mag je nergens in vanwege het instortingsgevaar. Maar als wij zien dat een gids met zijn groep wel een bunker ingaat, gaan wij er ook maar in. Zo'n gids wil ook niet onder een ingestorte bunker liggen. Vooral de grootte van het complex en de massiviteit van de bunkers maakt indruk. Het complex heet trouwens Wolfsnest vanwege Hitlers bijnaam 'wolf'. Het lijkt me een vrij ernstige belediging aan het prachtige dier!

Onderweg naar Gdansk

Als we verder rijden richting Olsztyn barst er een hevig noodweer los. We rijden door donder, bliksem en regen. Een klap onweer is zo dichtbij dat we er alle vier flink van schrikken. Na een poosje wordt het weer droog, maar niet voor lang. Een tweede noodweer breekt los. Dit keer geen onweer, maar de regen is nog veel heviger dan bij de vorige bui en komt met badkuipen tegelijk uit de lucht.

We stoppen nog bij het Elblagkanaal. Het Elblag kanaal moet tussen Elblag en zijn beginplaats (Maldyty) een hoogteverschil van 100 meter overbruggen. Normaal worden hoogteverschillen in kanalen overwonnen met sluizen, maar in het Elblagkanaal hebben ze in de 19e eeuw een vernuftige oplossing gevonden. Tussen het hoge en lage water lopen twee rails. Over elke rail loopt via wieltjes een kabel. De kabel zorgt ervoor dat een metalen bak over de rail van de hoge kant van het water naar de lage kant kan lopen en andersom. De rails lopen aan beide kanten tot in het water door, zodat de bakken die alleen zijwanden en een onderkant hebben, in het water komen. Als de bak in het water ligt, kan een boot erin varen. Vervolgens gaan katrollen draaien die de kabels over de rails in tegengestelde richting laten bewegen, zodat de bak met boot van de kant waar hij lag naar de andere kant wordt gerold, terwijl de tweede bak in tegengestelde richting schuift. Is de bak aan de andere kant weer in het water, dan gaat de boot weer drijven en vaart vervolgens de bak weer uit. Zo heeft hij dankzij de lift het hoogteverschil overwonnen. Een heel ingenieus systeem dat mooi werkt. In totaal zijn er in het kanaal vijf van dit soort botenliften.

Via de gigantische Teutoonse ridderburcht van Malbork rijden we naar Gdansk. Door alle uitstapjes zijn we pas om kwart voor negen bij het hotel. We zijn dus wel toe aan een hapje eten, maar helaas, daar zullen we nog even mee moeten wachten. Er is maar één kamer voor ons en dat vinden we voor ons vieren toch te weinig. De receptioniste doet erg haar best en komt na enig zoekwerk tot de conclusie dat het hotel een fout heeft gemaakt. Dat leek ons ook al. Volgend probleem is dat het hele hotel vol zit en we toch echt recht op een kamer hebben. Uiteindelijk kiezen we voor de optie dat we voor een nacht een normale kamer en een slechte kamer hebben en dat S. en M. na één nacht alsnog een extra kamer krijgen. De 'noodkamer' is op zich niet heel slecht, maar wel benauwd omdat er alleen twee kleine bovenraampjes zijn. Tot half tien zijn we bezig met het kamerprobleem en daarna kunnen we alsnog voor het diner aanschuiven. Om kwart over tien krijgen we ons bordje eten. Als compensatie belooft het hotel ons parkeergeld te betalen. We onderhandelen zwaar over het ontbijt dat hier niet inbegrepen is (heeft de receptioniste in haar zorgen over de kamer per ongeluk wel gezegd), maar die onderhandelingen verliezen we.

Gdansk en omgeving

In Gdansk blijven we een paar dagen. Niet alleen de stad zelf is de moeite waard, ook in de omgeving is veel te doen. De eerste dag gaan we naar Slowinski Nationaal Park dat is ingeschreven op de UNESCO-Lijst Wereld Biosfeerreservaten. Vanaf de ingang van het park loopt een lang pad van 5,5 km naar de grootste attractie van het park: de wandelende duinen. Het hoogste duin is zo'n 30 meter hoog. Door de overheersende noordwesten wind 'wandelt' het duin zo'n 10 cm per jaar landinwaarts. Niets ontziend bedekt het zand alles wat op zijn weg ligt, zodat hele bossen onder het zand verdwijnen en slechts de toppen van de afgestorven bomen nog boven het zand uitsteken. Die dode boomstompen zomaar uit het zand zijn erg spectaculair om te zien. Ben je over het duin heen dan kom je uit bij de Baltische zee met een groot strand zonder schelpjes.

Ruim de helft van het Park is water: het Lebsko- en het Gardno-meer. Vanaf het pad naar de wandelende duinen gaan zijpaden naar weerszijden: de ene kant naar het strand en de andere kant naar het Lebskomeer (het andere meer is veel verder). Het is een prachtig meer met brede rietkragen en een kust vol inhammen. Het is een bijzonder vogelgebied, maar vandaag zien we weinig vogels. We merken nu goed dat we in het hoogseizoen – ook nog op een zaterdag – hier zijn en het is erg druk met mensen. Dieren zoeken dus wel een rustiger plekje op. Ook met alle mensen blijft het een erg mooi park met een indrukwekkend duin.

Ons tweede uitstapje buiten Gdansk gaat naar Hel. Boven Gdansk ligt een lange, smalle landtong. Helemaal op het puntje van die landtong ligt het plaatsje Hel. We gaan er met de trein heen. Als wij op het beginpunt instappen is de trein rustig, maar naarmate we verder gaan, stroomt de trein steeds voller en op het laatst staat hij echt mudjevol en dan nog staan er bulten mensen op het perron die mee willen. Vooral het stuk over de landtong is erg mooi. Door de volle trein kunnen we maar aan een kant uit het raampje kijken. Daar zien we zee, badplaatsen, dagjesmensen en prachtige stukken duin met bos. Vooral het laatste stuk is ontzettend mooi bebost.

Na aankomst proberen we een kaart te kopen om te gaan wandelen, maar de VVV heeft alleen een kaart van het dorp. We gaan dus maar zonder kaart, ook gemarkeerde paden ontbreken. Omdat we wel graag vandaag weer terug willen naar ons hotel en de trein en boot maar beperkt gaan, letten we onderweg erg goed op hoe we lopen en noteren we waar we afslaan. Eén punt is tijdens de wandeling erg gemakkelijk te herkennen. Aan weerszijden van het pad staan bomen die elk op een stomp van een tak een lichtblauwe sok dragen. We hopen maar dat er bij Hel niet al teveel bomen met lichtblauwe sokken zijn. Het is een prachtig wandelgebied dat bestaat uit dennenbos op de zandduinen met een ondergroei van struikheide, veenbes, mossen en veel korstmossen. In het opener duingebied, dichter bij zee, zien we ook kraaiheide met mooie zwarte bessen en al bloeiende struikheide. Onze wandeling eindigt bij een oude, niet meer gebruikte vuurtoren met uitzicht op de Baltische zee. Op de terugweg haasten we ons iets meer, want het begint ook vandaag te onweren en we horen in de verte het gerommel in de lucht. Het blijft gelukkig bij een klein buitje. Terug gaan we met de boot die ons in Gdynia, een plaats 17 km van Gdansk, afzet. Vanuit Gdynia gaan we met de trein en de bus weer naar huis.

In Gdansk zelf is erg veel te zien. Al in een ver verleden leefde Gdansk van de visvangst en de handel in aangespoelde barnsteen. In de 12e en 13e eeuw was Gdansk in handen van Pommerse hertogen, maar begin 14e eeuw, veroverden de Teutoonse ridders (de Orderidders) de stad. De stad kreeg stadsrechten en sloot zich al snel aan bij de Hanze. In 1454 bevrijdde Gdansk zich van de Teutoonse ridders en sloot zich aan bij de Poolse koning in ruil voor handelsprivileges. In de 16e en 17e eeuw groeide Gdansk vooral door de graanhandel uit tot een internationale metropool, bestuurd door rijke patriciërs, die meer gemeen hadden met de Amsterdamse zakenpartners dan met de Poolse edelen die moeite hadden hun gezag te handhaven. Eind 17e eeuw kwam Gdansk in verval door de Zweedse oorlogen. Later is Gdansk Pruisisch geweest en in 1919 kreeg het de status van vrijstaat onder toezicht van de Volkerenbond. Na de Tweede wereldoorlog kwam de stad toe aan Polen en stroomde de stad vol met Poolse immigranten. Het nieuwe Gdansk is opnieuw een belangrijke havenstad geworden en de stad waar de havenarbeiders het in 1980 waagden om de eerste vrije vakbond in de communistische wereld op te richten.

Kade in Gdansk met o.a. de Kraanpoort.

Kade in Gdansk met o.a. de Kraanpoort.

Veel van de historie is nu nog in de stad terug te vinden. De stad lijkt niet op andere Poolse steden die we gezien hebben, maar is duidelijk te herkennen als Hanzestad. Ook de relatie met Amsterdam is goed terug te vinden in de echt Amsterdams aandoende gevels die je hier in de binnenstad ziet. Ook langs het water doen de grote pakhuizen aan Amsterdam denken. Wat Gdansk wel heeft en Amsterdam niet is de 15e eeuwse kraanpoort (Zuraw in het Pools). Een grote, hoge houten toren met bovenaan een opbouw die naar voren buigt. De toren heeft eeuwenlang een dubbelfunctie gehad: met de opbouw konden enorme vrachten uit de schepen worden gehesen, daarnaast was het een verdedigingspoort. Poorten heeft de stad genoeg: de gouden poort, de groene poort met vier bogen die niet groen is, de Hooglandpoort en verder poorten die de binnenstad met het water verbinden. Naast genoeg poorten heeft Gdansk vandaag ook genoeg toeristen. Foto's nemen zonder mensen lukt je hier echt niet. Ook hadden we graag gezien dat ze wat minder eetstalletjes, souvenirsstalletjes, luchtballonnenverkopers en andere kraampjes neer zouden zetten. Ze ontsieren de mooie straten en pleinen. Maar ja, ze luisteren niet altijd naar ons.

Szymbark

Vanuit Gdansk rijden we richting zuiden naar Torun. Onderweg naar Torun stoppen we bij een merkwaardig openluchtmuseum in Szymbark, een klein plaatsje in het noorden van Polen. Het museum heet voluit Centrum voor Educatie en Regiopromotie. Het museum is eigendom van een lokale ondernemer die een bedrijf heeft dat gespecialiseerd is in de bouw van houten huizen en alles in het museum draait om hout. Daarnaast krijgt ook de cultuur van de Kasjoeben, een bevolkingsgroep die in deze regio leeft, ruim aandacht.

Trekpleisters van het museum zijn het huis dat op zijn kop staat en de langste tafel ter wereld. Het huis dat op zijn kop staat, staat ook letterlijk op zijn kop en binnenin is alles scheef. Meubels zijn boven je hoofd aan de vloer gelijmd en de bloempotten staan op zijn kop aan de bovenkant van het raam in de vensterbank. Evenwichtsorganen, ogen en hersenen zijn niet ingesteld op dit soort waarnemingen. Normaal lopen gaat niet, je zwabbert als een dronkeman, ziet andere mensen scheef staan en ook buiten staan dingen die net nog recht stonden nu behoorlijk scheef. De langste tafel ter wereld staat natuurlijk in het Guinness Book of Records. De plank is 36,83 meter lang, gemiddeld 6 à 7 cm dik en weegt 1100 kg. De plank is gemaakt van een 120-jarige douglasspar van 51 meter lang, die uit een bos op 6 km afstand van de houtzagerij is gehaald. De plank is in negen dagen met de hand uitgezaagd door een ploeg van een paar honderd zagers. De website van het Centrum voor Educatie en Regiopromotie vermeldt daarbij dat de zagers 2000 liter bier consumeerden – een verbruik van 54,3 liter per strekkende meter.

Torún

Torun is een Hanzestad aan de Wislarivier met veel middeleeuwse monumenten. De stad lag erg gunstig op de voornaamste handelswegen van noord naar zuid en zeeschepen konden de stadspoorten probleemloos bereiken. Al in de 13e eeuw moest een nieuwe stad worden gebouwd voor de vele immigranten en de groei ging nog sneller na toetreding tot het Hanzeverbond. In de 14e eeuw was Torun een geduchte concurrent voor Gdansk. Wel namen beide steden deel aan de opstand tegen de Teutoonse ridders. Torun nam hierin het voortouw en in 1454 maakten de burgers van Torun de Teutoonse burcht met de grond gelijk, zodat we nu alleen nog de ruïne en de toilet- en tevens verdedigingstoren kunnen bekijken. Met het vredesverdrag van 1466 schaarden de steden zich onder de Poolse koning en kregen in ruil daarvoor uitgebreide handelsprivileges. De stad maakte een bloeitijd door die net als in Gdansk voortduurde tot de Zweedse oorlogen.

Copernicus.

Copernicus.

De beroemdste inwoner van Torun is Copernicus. In het huis waar Copernicus misschien geboren is (er zijn verschillende hypothesen over het huis in Torun waar hij geboren zou zijn) is nu een museum en daar willen we graag heen. Tot onze verrassing mogen we er zonder betalen in. Op woensdag is het museum gratis. Het museum bestaat uit twee panden. Het pand naast het geboortehuis laat zien hoe een rijke koopmanswoning er in de loop der eeuwen uitzag. Verder is er veel informatie over vrouwelijke astronomen door de eeuwen heen. Het begint met een astronoom in de 16e eeuw en eindigt met een astronoom die in 1999 is overleden, Allemaal hebben ze baanbrekend werk verricht. Een vrouw is beroemd astronoom geworden nadat ze begonnen was als dienstmeid bij de professor. Hij was zo ontevreden over het werk van zijn erkende assistenten, dat hij dacht dat zelfs de dienstmeid het beter kon. Dat kon ze ook en ze eindigde als gerespecteerd astronoom door haar ontdekking van en berekeningen aan sterrenevels.

Het andere huis, het misschien-geboortehuis van Copernicus, is meer aan de geleerde zelf gewijd en laat replica's van zijn boeken en instrumenten zien. Boven is zijn werkkamer. Dat laatste is een beetje merkwaardig, want hij heeft als kind in Torun gewoond en zijn belangrijke werk vooral in Fromberg gedaan, maar als museum wil je toch wat. Copernicus was niet alleen een uitstekende sterrekundige, hij heeft ook in naam van de Poolse koning de verdediging tegen de Teutoonse ridders in Olsztyn geleid, is een soort rentmeester van die stad geweest en was ook nog arts. Daarnaast heeft hij gedichten van een beroemde Griekse dichter vertaald naar het Latijn.

Het werk van Copernicus (1473 – 1543) is pas na zijn dood gepubliceerd. Met de vermelding 'totdat het verbeterd wordt', stond zijn boek 'Over de omwentelingen van de hemellichamen' van 1616 tot 1835 op de rooms-katholieke index van verboden boeken. Zijn boek zette het tot dan toe gangbare heelalbeeld van Ptolemaeus waarbij de zon en alle planeten om de aarde draaiden, volledig op zijn kop. Terwijl hij vanaf het dak van zijn kathedraal in Fromberg – hij was ook nog geestelijke – de hemel bestudeerde, concludeerde hij dat de zon niet om de aarde draaide, maar de aarde om de zon. Met zulke ideeën zou hij zeker op de brandstapel geëindigd zijn. Toch is dat niet de reden dat hij zijn werk niet heeft gepubliceerd. Copernicus bleef niet tevreden over zijn berekeningen en bleef maar bezig met controleren en herberekenen en kwam daardoor nooit aan publicatie toe. Zijn volgeling Giordano Bruno verdedigde zijn werk en moest dat bekopen met de brandstapel. De berekeningen van Copernicus klopten inderdaad niet. Hij had al zijn werk met het blote oog moeten doen en was uitgegaan van cirkelvormige banen. Nadat de telescoop uitgevonden was, heeft Newton zijn model gecorrigeerd door aan te nemen dat de planeten ellipsbanen volgden, waarna de berekeningen wel klopten.

Biskupin

Na een dagje Torun gaan we verder richting Poznan. Onderweg doen we het archeologisch museum van Biskupin aan. In 1933 ontdekte een plaatselijke onderwijzer hier aan de oever van het schiereiland in het Biskupinmeer wat vermolmde balken. Nadat hij herhaalde malen aandacht voor zijn vermolmde balken had gevraagd, maar niet had gekregen, bleek professor Kostrzewski van de Poznan universiteit wel geïnteresseerd. De professor en zijn team gingen aan de slag en al snel bleek dat in de moerassige bodem een complete nederzetting uit 750 v.C. lag begraven. Van het begin af aan zijn de opgravingen goed aangepakt en was er veel belangstelling uit binnen- en buitenland. Tijdens de oorlog werd er het nodige vernield en vervreemd, maar na de oorlog zijn de opgravingen en de reconstructie weer hervat.

Op het schiereiland lag een dorpje met 12 parallelle straten met bij elkaar zo'n 100 huizen, waar in totaal zo'n 1000 mensen woonden. Om het dorp heen stond een houten hek. Via een poort met daar bovenop een verdedigingstoren kwam je het dorp binnen. Als bescherming tegen het water van het meer was een dichte beschoeiing van boomstammen gemaakt. Je kon het dorp bereiken via een 250 meter lange houten brug die over het water en de moerassen liep. Van het originele dorp zie je nu alleen nog wat vermolmde stammen uit het moeras steken. De rest van de oorspronkelijke houten balken ligt veilig onder water om te voorkomen dat het hout wegrot.

Op de plaats van de nederzetting is nu een gedeeltelijke reconstructie van het dorp gemaakt. Er is een klein stukje brug, de houten omheining met poort en toren is er volledig en twee rijen huizen zijn nagebouwd en ingericht. De huizen zijn volledig van houten balken gemaakt en hebben een dik rieten dak. Van binnen is er een grote ruimte die door dwarsschotten kleinere ruimtes afschermt. Er is een woongedeelte met een vuurplaats (onder een gat in het dak voor de rook), een ruimte voor het vee, een slaaphoek en twee andere hokken. De huizen zijn erg groot, maar gemiddeld moesten ze er ook met z'n tienen in wonen. Verder is er op het terrein nog een informatief museum met opgegraven voorwerpen en een overzicht over de leefwijze van de bewoners.

Op weg naar Poznan

Vanuit Biskupin rijden we verder naar Gniezo waar een enorme kathedraal met twee torens staat. In de kathedraal staat achter het altaar een grote zilveren kist met relikwieën van de heilige Wojciech (bij ons bekend als Adalbert). Voor wie de naam Adalbert niet meteen wat zegt: Adalbert was een Praagse bisschop die in 996 in Gniezno langs kwam om te bekeren. Net als Bonifatius had hij dat beter niet kunnen doen: hij werd onthoofd. In 1000 werd Adalbert door paus Silvester II heilig verklaard en benoemde hij Gniezno tot aartsbischoppelijke zetel. Een zilveren Adalbert ligt nu bovenop de kist met relikwieën. De versierde kist met Adalbert is een meesterwerk van een Hollandse edelsmid uit 1662. De liggende Adalbert en enkele van de hem omringende engelen zijn inmiddels namaak. Begin jaren tachtig hebben twee onverlaten tot verbijstering van de gelovige gemeente, de beelden gestolen en omgesmolten tot 18 kilo zilver.

Het landschap waar we door rijden is inmiddels veranderd in het vrijwel vlakke landschap van Groot-Polen. Hier en daar zijn nog wel wat heuvels, maar verder is het overwegend vlak. Een mooi landschap, vooral in gebruik, voor akkerbouw, hooiland of voor vee, afgewisseld met stukjes bos, en open velden die geel zien van alle guldenroede. Bomenrijen staan vaak als scheiding tussen de velden. Ook het weer is veranderd. Vrijwel elke dag hebben we wel regenbuitjes die nooit lang duren, maar wel heftig kunnen zijn en de temperatuur is een flink eind gezakt. Voordeel van dit weertype is dat we dagelijks getrakteerd worden op prachtige wolkenluchten met diverse kleuren en vormen wolken.

Poznan en Wroclaw

Na aankomst in Poznan gaan we nog gauw de stad in, want we blijven maar een nachtje in Poznan. Ook Poznan heeft een prachtig marktplein met een mooi raadhuis en prachtige panden om en op het plein. Jammer genoeg is er weinig vrije ruimte op het plein. Behalve de terrassen die er normaal zijn, staat het er nu vol met kraampjes die allerhande eetbare en niet eetbare regionale producten aanbieden. Ondanks het beperkte zicht, is het plein prachtig. Eén beeld spreekt wel tot de verbeelding: voor het stadhuis staat op een stenen schandpaal een mannetje met zwaard. Het geld voor het beeld is in 1535 betaald uit de boetes die dienstbodes kregen die boven hun stand gekleed gingen.

De volgende dag bezoeken we het paleis van Rogalin en het kasteel van Kornik, allebei een stukje ten zuiden van Poznan. Bij het paleis van Rogalin hoort een riant landgoed waar in totaal zo'n 960 eiken staan. De drie oudste eiken van Rogalin zijn vernoemd naar Lech, Čech en Rus. Dit zijn drie legendarische broers die drie Slavische naties zouden hebben gesticht: Polen (eertijds bekend als Lechia), Bohemen (tegenwoordig Tsjechië) en Roethenië (tegenwoordig Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne). De drie bomen variëren in ouderdom van 520 – 630 jaar en de omtrek varieert van bijna 7 tot 9,5 meter. Twee bomen staan er nog vitaal bij, al worden ze wel ondersteund door balken en staaldraad. De derde boom staat nog fier overeind, maar is toch erg dood.

Voordat we naar Wroclaw gaan, stoppen we onderweg nog in Trzebnica. De abdij in Trzebnica werd in 1202 gesticht door Hendrik I de Bebaarde, de graaf van Neder Silezië, op verzoek van zijn vrouw prinses Jadwiga (Hedwig). Na de dood van de harige graaf in 1238 ging de prinses het klooster in en leidde een ascetisch leven tot haar dood in 1243. Al 24 jaar later werd ze heilig verklaard als St Hedwig van Andechs. Zij is de patroonheilige van Silezië en de abdijkerk waar zij en Hendrik zijn begraven is nu een pelgrimsoord, vooral op haar feestdag 16 oktober. De kerk heeft een barok interieur met overdadige barokversieringen. Om de pilaren zijn een soort altaartjes met kleinere pilaren waartussen een schilderij hangt. Rondom de kleinere pilaren staan complete beeldengroepen die de meest fantastische taferelen uitbeelden. Rechts voor in de kerk staat de grote kist van Hedwig. Om haar graf heen staan beelden van apostelen en engelen. Zelf ligt ze bovenop haar kist.

Na aankomst in Wroclaw gaan we net als gisteren weer snel de stad in, want ook hier blijven we maar een nachtje. Het wordt waarschijnlijk erg saai maar ook deze stad heeft weer een mooi, groot marktplein met een schitterend stadhuis. Het stadhuis heeft aan een kant een groot astronomisch uurwerk en aan de andere kant een serie beelden die het leven van het vroegere Wroclaw verbeelden. Zo staat er een ridder met een lans bovenop en een dronken boertje naast de poort. Aan de andere kant van de poort staat een sloverige vrouw met een pantoffel in haar hand alsof ze net haar dronken boer uit de kroeg heeft geplukt. In tegenstelling tot Poznan is dit plein niet volgebouwd en heb je goed uit- en overzicht over het hele plein.

We lopen ook nog naar het Piasek en kathedraaleiland, twee eilandjes in de Oder. Het kathedraaleiland is eigenlijk een soort dorpje binnen de stad. De kromme keienstraatjes ademen rust uit, er zijn leuke poortjes tussen de straatjes en er is veel groen. Het kost moeite om de kathedraal van binnen te zien. Eerst is er een mis bezig en kunnen we niet storen. Daarna gaat het licht uit en komt een vriendelijke non ons iets vertellen. We hebben geen idee wat ze bedoelt, maar als we constateren dat de voordeur dicht zit, snappen we dat ze gezegd heeft dat de kerk gaat sluiten en gaan we maar door de zijdeur af.

Dresden

De volgende dag gaan we weer terug naar Duitsland waar we in Dresden overnachten. We gaan eerst richting Legnickie Pole, de plaats waar de Silezische hertog Hendrik de Vrome in 1241 tevergeefs de opmars van de Mongolen trachtte te stoppen. Hj bad voor vertrek God om hulp, maar ondanks dat werd zijn leger in de pan gehakt en hijzelf onthoofd. Hij was dusdanig onherkenbaar dat zijn moeder, de heilige Hedwig uit Trzebnica, hem uitsluitend nog kon herkennen aan zijn linkervoet die zes tenen had. Nu is er een grote abdij met abdijkerk en een kleine kapel ertegenover in Legnickie Pole. De abdij is nu een inrichting voor verstandelijk gehandicapten en de kerk zit op slot als we aankomen. De vriendelijke en enthousiaste beheerder van de kerk heeft de auto met buitenlands nummerbord gezien en vraagt of we de kerk willen bezoeken. De abdijkerk is prachtig, vooral de plafond schilderingen die de slag beeldend verhalen. De kapel tegenover de kerk is ingericht als museum over de slag. Er staat ook een replica van de kist van Hendrik de Vrome met zes tenen; de echte kist staat in een museum in Wracklov. In een klein zaaltje zijn nog wat foto's over het leven in Mongolië. Het zijn oude foto's, maar nog steeds herkenbaar.

In Dresden blijven we twee nachten zodat we een volle dag hebben om de stad te bezoeken. Dresden is heel anders dan de Poolse steden die we de laatste dagen bezocht hebben. Hadden de Poolse steden vooral de elegantie en schoonheid van de rijke handelssteden van het middeleeuwse Hanzeverbond, in Dresden is alles groots, imposant en van een barokke pronkerigheid. Vrijwel alle gebouwen zijn van zandsteen en alhoewel er na de oorlog veel herbouwd is, hebben toch veel van de grote gebouwen zwart geworden gevels of beeldengroepen.

Frauenkirche.

Frauenkirche.

Er zijn erg veel mooie dingen te zien in de stad. Natuurlijk is er de beroemde Frauenkirche, bekend van de vele concerten. De kerk is van binnen bijna rond en met de drie lagen balkons, doet hij meer aan een concertzaal dan aan een kerk denken. Ook erg bijzonder is de Zwinger uit de 18e eeuw, oorspronkelijk ontworpen als orangerie en voor hoffeesten. Het is een enorm groot vierkant gebouw rondom een grote binnenplaats met fonteinen. In elk van de vier zijden zitten grote gebouwen versierd met enorme hoeveelheden beelden en fonteinen. In de gebouwen zitten nu verschillende musea. Ook de optocht der vorsten op de zijkant van het grote slot is vermeldenswaard. De 101 meter lange muurschildering beeldt alle 35 Saksische heersers uit in een meer dan levensgrote stoet van ridders. Het werk dat rond 1875 voltooid werd, begon al snel te vervagen en is begin 20e eeuw overgebracht op 24.000 porseleinen tegels en hangt er nu nog steeds prachtig bij.

's Middags zoeken we na de stadse drukte de rust op van een groot park waar ook de dierentuin van Dresden zit. Ook daar gaan we langs, dierentuinen zijn altijd leuk. Straks gaan we gevieren voor het slotdiner en dan begint onze heel lange reis toch echt op zijn eind te lopen. Morgen rijden we rechtstreeks van Dresden terug naar Ede en Nordhorn en zijn er geen uitstapjes meer gepland. We verwachten voor morgen dan ook geen meeslepende avonturen meer, dus bespaar ik jullie onze laatste reisdag.

Excuses voor alle veel te lange mails, maar er valt altijd zoveel te vertellen. Na deze mail zijn jullie voorlopig weer even van me af.