Australië 2025 > rondzendbrief 8
Rondzendbrief 8 Australië 2025

[Verzonden op 24 november 2025 vanuit Deniliquin]

Start van Starling trip: opnieuw Bruny Island

Na ons bezoek aan het idyllische Ross met ons droomhuisje, keren we terug naar Hobart voor ons laatste reisonderdeel. Een groepsreis met Starling, een Belgische natuurorganisatie. Al direct na aankomst gaan we met Jan, onze Belgische reisleider, en enkele groepsgenoten op zoek naar een kikkerbek. Op zoek is eigenlijk niet het juiste woord, want kikkerbek houdt van een rustige dag en zit nog in dezelfde boom als waar Jan hem ‘s morgens zag. Natuurlijk zien we ook gelijk andere vogels en een groep wallabies waarvan er drie een grappig, bijna te groot jong in hun buidel hebben.

De eerste ochtend gaan we met de voltallige groep (vijf Belgen, vier Nederlanders, Jan en Guille, de Australische gids die uit Spanje komt, opnieuw naar Bruny Island. We gaan nu niet voor de toeristische hotspots, die sla je over met een natuurreis, maar direct op Bruny Island slaan we van de hoofdweg af voor de zwaluwpapegaai, een moeilijk te spotten papegaai die je hier kan vinden. Eerst vliegen ze flitsend over, maar al snel ontdekt Guille ze, zittend in de boom. Later kunnen we ze nog beter zien als een paartje rond een gat in de boom klautert. Daar hebben ze hun nest en saampjes zijn ze er ongestoord bezig. Ze zijn niet heel groot, maar prachtig. Gaten in de boom zijn hier best lastig. Australië heeft geen spechten of plaatsvervangers daarvan en eucalyptusbomen zijn nogal ijzeren-heinig en niet makkelijk om gaten in te maken. Je moet dus als woningzoekende papegaai een beetje geluk hebben hier.

De volgende op ons lijstje is de Tasmaanse diamantvogel, een vogel met een lange naam die zelf klein en onopvallend is en zich ophoudt in droog eucalyptusbos van één soort omdat hij de bloemen en nectar daarvan erg lekker vindt. Omdat zijn lievelingsbos op een hoge heuvel staat, moeten we flink klimmen. Guille, Jan en enkele goede speurders doen hun best en natuurlijk vinden ze het kleine bruine vleugeltje met mooie vlekjes. Van stilzitten heeft diamantvogel nog nooit gehoord, maar met wat moeite lukt het toch om hem te zien. Het is zijn eigen schuld dat hij niet op de foto staat, de heuvel heeft zulke lastige stappen dat het onverantwoord is voor Rik – de arm mag nog steeds niet belast worden en zeker geen onverwachte bewegingen maken – om mee omhoog te gaan.

Met deze twee soorten op zak – door vogelaars doelsoorten genoemd – kunnen we de rest van de dag onbekommerd rondkijken en we zien zo ontzettend veel mooie vogels. Nu we gidsen bij ons hebben, zwemmen er in de baai een hele groep dolfijnen. Als we aan het eind van de dag stoppen bij een grote groep wallabies met één albino wallaby erbij, krijgen we ruzie met een lokale bewoner. Terwijl we echt alleen maar vanuit de auto foto’s nemen van de wallabies, is hij kwaad. We mogen zijn terrein niet fotograferen. Zijn huis staat ver weg en echt niet op de foto. De wallabies zitten op zijn enorme grasveld. Hoe Guille ook zijn verontschuldigingen aanbiedt, hij blijft briesen.

Albino wallaby op Bruny Island, Tasmanië, Australië

Albino wallaby op Bruny Island

‘s Avonds gaan we opnieuw op pad. Bij ‘The Neck’, de landengte tussen Noord en Zuid Bruny komen in het donker dwergpinguïns en dunbekpijlstormvogels aan land. De pinguïns komen uit zee aangelopen. De stormvogels vliegen vanaf zee en storten dan min of meer naar beneden om te landen. Als we aankomen staat het platform al behoorlijk vol, maar na ruim een uur als het aardig donker begint te worden, zijn de meesten al afgehaakt. Al staan we te vernikkelen van de kou, wij houden vol. We zijn al gewaarschuwd dat er hooguit vijf of zes pinguïns komen. Er is geen licht, behalve wat rood licht van onze zaklantaarns (rood gemaakt met folie voor de vogels). We zien geen pinguïns. De pijlstormvogels missen we eigenlijk ook. Guille zegt dat we naar de heldere stukken lucht moeten kijken en ik denk een keer iets donkers te zien, maar of dat het was, ik weet het niet. Wel zien we ondanks de bewolking steeds meer sterren. Als we, ondanks de dikke kleren door en door verkleumd om 10 uur vertrekken, ben ik daar best blij mee. Thuis gaat de kachel hoog om weer een beetje op temperatuur te komen.

Tweede dag Bruny Island

Op Bruny Island breken we een record. We maken de koudste novemberdag ooit mee. Het is 6 graden en er staat een harde, ijzige wind vanuit Antarctica. Dat afgewisseld met af en toe een korte bui (een keer zelfs hagel), voelt bepaald anders dan een eerste voorjaarszonnetje. Vanwege de wind besluiten we de open vlakte te mijden en naar het koud gematigd regenwoud te gaan. Ook dat vind je op Bruny Island. We zoeken vooral kleine bruine vogeltjes, maar zelfs voor de gidsen zijn die op een dag als vandaag moeilijk te vinden. Ze horen de vogels minder en de vogels zitten ook liever beschut met dit weer. Ondanks dat vinden ze er een paar die de echte vogelaars zien en wij voor een deel missen. Maar het regenwoud is zo mooi en Guille weet ook veel over de bomen en struiken wat het extra leuk maakt. ‘s Middags zoeken we het hogere bos op de bergen op, heel anders dan het regenwoud. Het bos is dicht met heel dunne boompjes die bijna tegen elkaar aanstaan. Het in een donker Bor de Wolf bos. De vogeltjes die we hier moeten vinden, laten zich niet zien. Maar ook nu zijn de rit en het bos ook zonder vogels genoeg.

Als we na de lunch vertrekken zien we een paartje beeldschone rosella’s (geelbuikrosella) in een tuin vlakbij ons vol enthousiasme de rode fuchsia bloemen uit de struik plukken. Ze knabbelen er kort op, laten dan de bloem vallen en plukken de volgende. Zo werken ze efficiënt de tot nu toe volop bloeiende struik af. Jammer voor de eigenaar, maar twee rosella’s in je tuin is ook niet niks. Later zien we op een grasveld nog wat vogeltjes en zo zien we zonder moeite te doen in tuinen en op het gras meer dan de hele dag in het bos.

Dit keer gaan we ‘s avonds niet naar de pinguïns, maar met de auto op pad om in het donker dieren te zoeken. De avond is geweldig en we zien ongelofelijk veel. De wallabies zijn niet te tellen zoveel, maar daarnaast zien we opnieuw de gezellig bolle pademelon (soort kangoeroe). Echt bijzonder is de voskoeskoes die in het Engels brush-tail possum heet en ook echt een borstelstaart heeft. Degene die we als eerste zien, heeft een kleintje op haar rug. De possums hier dragen hun jongen zodra ze uit de buidel kunnen, direct op hun rug en niet meer in de buidel. Een tweede voskoeskoes zit rustig in de boom. De stakker is aan een oog blind.

In de berm van de weg holt een snel diertje ons voorbij. Voor mij lijkt het een beetje op een otter, maar het is de Australische beverrat of rakali. Volgens Guille is het heel bijzonder om die op het land te zien, want meestal tref je ze zwemmend aan. Dat is een van de weinige niet buideldieren van Australië, hij hoort bij de knaagdieren en is inheems. Maar de topper van de avond bewaren we voor het laatst: de gevlekte buidelmarter. Buidelmarters (twee soorten) en de Tasmaanse duivel zijn de drie grootste buidelpredatoren ter wereld en ik wil ze dolgraag zien, maar de kansen zijn klein en nu zien we zomaar de eerste avond de gevlekte buidelmarter. Eerst twee waarvan we alleen de oogjes zien en later drie. Van die drie zijn er twee lichter en een donkerder, want ze kunnen variëren qua kleur. We spotten ze op een groot open grasveld met begroeiing aan de kant, hun favoriete habitat om te jagen. Ze rennen af en aan en als ze rechtop gaan zitten, lijken ze zo in het donker net gevlekte katten. Geweldig dat we die zien. Het is al half twaalf als we thuiskomen, maar wel met een lijst prachtige zoogdieren op zak.

Onze groep is tot nu toe prima. Allemaal rustige en geïnteresseerde mensen en geen dwangmatige soortenjagers of voordringende fotografen. Natuurlijk zijn er een paar echte vogelaars, maar die zijn ook geïnteresseerd in andere dingen en zijn niet alleen geobsedeerd op jacht naar specialiteiten die pas tellen als ze op de foto vastgelegd zijn. Ze zijn ook breed geïnteresseerd en kijken ook naar andere dingen. Prettig in de omgang en geen storende elementen tot nu toe. Guille is fantastisch, ondanks dat hij uit Spanje komt, weet hij ook veel achtergronden te vertellen waardoor het geheel een samenhang krijgt en ook van planten weet hij veel. Jan, de Belgische gids, ziet ook veel en is een sympathiek mens. Al met al dus alle reden tot tevredenheid.

Geeveston

We nemen afscheid van Bruny Island en met de ferry steken we over naar het vasteland van Tasmanië. Voor de komende twee dagen is veel regen voorspeld, dus het programma is flexibel en afhankelijk van het weer. Onze bestemming is Geeveston waar we kans hebben op het vogelbekdier. Onze eerste stop na aankomst is dan ook bij de brug en de rivier waar twee vogelbekdieren wonen. We lopen een flink stuk langs de snelstromende rivier, want vogelbekdier heeft een territorium van maar liefst 1 km. Hij is niet thuis, dus we gaan eerst lunchen en inchecken in het hotel.

De middag is gereserveerd voor de grondpapegaai. Een zeldzame parkiet op de grond die we hier zouden moeten vinden. Het wordt geen gelukkige tocht. Door alle regen van de afgelopen tijd is het pad een grote modderpoel en lijkt meer op een moeras dan op een pad en de kleiige ondergrond maakt het akelig glad. Al vrij snel gaat het eerste groepslid onderuit in de spekgladde modder. Gelukkig zonder ernstige gevolgen, maar wij twijfelen erg. Rik moet zeker niet onderuit nu (ik trouwens liever ook niet). Maar na wat aarzelen besluiten we stijf gearmd verder te gaan. Maar het pad blijft zo ontzettend slecht. Spekgladde blubber en diepe modderplassen. De groep zijn we allang kwijt, hun tempo is niet bij te houden. Na een poosje komen we een ander groepslid tegen, hij heeft opgegeven en gaat terug. Hij weet te vertellen dat het twee km lopen is naar de plek van de vogel. Dat overtuigt ons. Wij gaan nu terug. Stumperend komen we gedrieën weer bij de auto.

We rekenen uit dat de anderen nog een flinke tijd weg blijven om de afstand naar de papegaai heen en terug af te leggen en ook nog bij de vogel te kijken. Bij gebrek aan beter besluiten we dan maar langs de weg te wandelen om bloemetjes te zoeken. We beredeneren hoe laat we om moeten keren, maar nog voordat het tijd is om terug te lopen, horen we een auto aankomen, onze auto. De anderen zijn een stukje verder gestrand. Aan een kant was de vegetatie te dik en te hoog en aan de andere kant was brand geweest. Geen kans op de grondpapegaai meer. Bovendien vonden teveel mensen dat het te gevaarlijk glibberig werd. De optie om door de begroeiing te gaan werd afgewezen vanwege de onregelmatigheid die een te groot risico op verstuikte enkels opleverde. Samengevat: geen grondpapegaai en een moeizame wandeling met lichte regen.

De avond maakt alles weer goed. Na het eten gaan we terug naar de brug en de rivier voor het vogelbekdier. We speuren eerst weer een tijd tevergeefs, maar dan roept Guille. Vogelbekdier is bij de brug gespot. We hollen allemaal terug in de hoop dat hij er nog is en inderdaad hij is zo vriendelijk om lang goed zichtbaar te blijven. Hij komt boven, duikt weer diep onder en scharrelt langs de kant om zijn hapje eten (voornamelijk wormen) te scoren. Sommige stukken stroomafwaarts gaat hij razendsnel en moeten wij via het paadje hollen om hem niet kwijt te raken. Bij een dikke rioolbuis slaat hij af naar een rustig poeltje zonder de harde stroming in de rivier. Daar is hij druk doende om eten te zoeken. We kunnen hem een hele tijd volgen tot hij verder zwemt naar een ander poeltje.

Vogelbekdier bij Geeveston, Tasmanië, Australië

Vogelbekdier bij Geeveston

'Expeditie' naar een grondpapagaai

De volgende morgen staan we vroeg op om in de ochtendschemering opnieuw vriend vogelbekdier te zoeken. Als we opstaan is het nog droog, maar zodra we naar buiten stappen, worden we begroet door de regen. Nog niet te hard, maar toch. Ook nu laat de snelle zwemmer ons flink zoeken, maar dan ziet iemand van de groep hem. Hij doet alles wat een vogelbekdier kan: zwemmen, duiken, aan de kant voedsel zoeken en weer boven komen. Hij komt zelfs even uit het water om een klein stukje over de kant te gaan voor hij snel weer in het water duikt. Ik bof enorm. Ik sta laag bij het water en hooguit een meter bij me vandaan steekt hij zijn snavel en kopje boven water, kijkt even en is dan in een flits omgedraaid en weer weg. We kunnen hem helemaal volgen tot hij aan de andere kant van de brug is en daar uiteindelijk uit het zicht verdwijnt.

Een mooi uitje voor het ontbijt. Het weer is inmiddels allerminst vriendelijk. Het hoost van de regen en het water spoelt met bakken uit de lucht. Ons vertrek wordt een paar keer uitgesteld, met zulke regen valt er buiten echt niets te doen. Om half twaalf als het iets minder hard regent vertrekken we om een nest van zeearenden te bekijken. Het nest vinden we maar de zeearenden zitten er niet op. Wel zien we boven zee en boven de bergen de grote vogel met brede vleugelslagen vliegen.

Na de lunch is het aardig opgeklaard – nog wel heel koud met een gure Antarctische wind – en is het tijd voor een nieuwe grondpapegaai expeditie. We lopen nu over een goed begaanbaar pad en wandelen door een ontzettend mooi terrein. Het is een nat en heide-achtig bos met vooral lage bomen en weer nieuwe eucalyptussoorten en vooral veel bloeiende heide-achtige planten. Een prachtig landschap zelfs als je geen vogels vindt. Bij open stukken met lage begroeiing – de begroeiing reikt daar tot bijna je middel – gaat Guille het zompige veld met grote, onregelmatige zeggepollen in om grondpapegaai te zoeken. Wij moeten vanaf het pad Guille in de gaten houden. Guille verplaatst zich verbazend makkelijk door het terrein, maar grondpapegaai speelt niet mee. Ze vermoeden dat hij het risico op natte voeten in dit extreem natte terrein te groot vindt.

Bij het derde en laatste terrein spot Guille een snel en klein bruin vogeltje dat mooi en bijzonder is. Ongeveer de helft van de groep strompelt achter Guille over de stoppels en zien er een flits van. Ik bespaar me de moeite. Als snelle vogelaars een flits zien, ben ik te traag en volstrekt kansloos. Daar ga ik ik geen natte voeten en moeilijke toeren voor uithalen. Opeens zitten er verdeeld over twee boompjes zes prachtige kleine parkieten. Veel dichter bij ons op het pad dan voor de klauteraars in het veld. We kunnen ze prachtig zien en ze vliegen pas weg als de anderen terugkeren uit het moeras. Het blijkt de blauwvleugelpapegaai te zijn. Zijn wij net zo tevreden mee als met de grondpapegaai. We lopen weer de drie km terug die grotendeels over een overgroeid smalspoortraject voert. Enige hindernis van vandaag is één boom over het pad en de scherpe zeggepollen die met hun bladeren over de grond je laaghartig proberen te laten struikelen. Het beste is om als een dressuurpaard met hoog opgeheven benen te lopen en ze zo de kans ontnemen om een val te zetten. De hele wandeling was het droog, maar vlak bij de auto haalt de regen ons in en als we net zitten, barst de bui weer los.

Het begint inmiddels een beetje te schemeren en we rijden nu naar een afgelegen park en kampeerplek aan de kust. Daar horen in de buurt van de picknickplek tegen donker buidelmarters en Tasmaanse duivels te komen. We hebben brood mee om daar te picknicken. Echt aangenaam picknickweer is het niet en dat vinden alle mogelijk te spotten dieren – behalve de pademelons die er in overvloed zijn – ook. Later maken we nog een wandeling, waarbij we vrij snel een ijzige stortbui over ons heen krijgen. We schuilen even onder een boom en lopen dan door een striemende hagelbui terug naar de auto. Vanuit de auto kijken we weer uit naar alles wat ‘s nacht actief is en we spotten een prachtige boeboekuil. Die hebben we eerder wel gehoord, maar nooit gezien. Tegen half elf zijn we terug en gaat de kachel aan.

Glimworm grot niet te doen

Na een boardwalk langs de baai vlak bij het hotel verlaten we pas laat het hotel. Ons doel voor vandaag is een grot met glimwormen. Glimwormen is een volstrekt onjuiste benaming. Het gaat om kleine knutachtige vliegjes – voor de liefhebbers Arachnocampa tasmaniensis, dat ‘Tasmaanse spinnewebworm’ betekent – die tijdens hun larvestadium licht geven. Ze komen alleen in Australië en Nieuw Zeeland in grotten voor of op heel beschutte plekjes in het bos. De larven die 6-12 maanden kunnen leven, zitten tegen de bovenkant van de grot. Ze maken een nestje van spindraad en hangen daar tot wel 70 kleverige 30-40 cm lange verticale spindraden aan. In die spindraden hangen ze giftige, kleverige druppeltjes, een soort slijm. Het licht dat de larve afgeeft trekt prooidieren aan, die vervolgens vastlopen in de lijmdraden waarbij de druppeltjes helpen de prooi op te lossen en snel verteerbaar te maken. De larve haalt dan de lijn in (met een snelheid van 2 mm per seconde) en smikkelt de prooi op. Als de larve een paar keer verveld is, gaat hij verpoppen en de pop geeft knipperend licht. Bij mannetjes gaat vlak voor het uitkomen het licht uit, vrouwtjes gaan juist feller gloeien, waarschijnlijk om mannetjes te lokken. Volwassen dieren leven maar kort en knipperen af en toe. Ze kunnen niet eten en wat is er dan nog anders te doen dan paren en eieren leggen. Als dat eenmaal gebeurd is, zit het avontuurlijke leven van de spinnewebworm er op.

Toch zien we er niets van. Het is 20 minuten lopen voor je bij de ingang van de grot bent en al voordat we op pad zijn, spreken we mensen die bezig zijn met de bestrijding van invasieve onkruiden. Zij waarschuwen ons: door de vele regen is het pad slecht begaanbaar en blubberig. Onderweg moet je een riviertje over dat nu hoog staat en dat je via mossige, gladde stenen van rots naar rots springend over moet steken. Daarnaast staat het water in de grot hoog. Dat scheelt weer nadenken. We lopen mee over het pad zolang het leuk blijft en keren dan om, van de grot zal voor ons geen sprake zijn. Algauw wordt het pad bijzonder drassig, niet specifiek glad, maar wel modder waar je schoenen goed in wegzakken en nat worden. Voor een niet haalbare grot hebben we geen zin in vieze voeten, dus we keren om. Samen met een ander groepslid maken we een wandeling en zien dan nog leuke dingen langs de gravelweg.

Als we na een uur terugkomen, keert net een vierde groepslid terug. Samen met groepslid vijf werd voor hun de rotsspring-oversteek over de rivier te dol. Wij hebben aan Jan de autosleutels gevraagd voor het geval de regen vandaag nog wat uurtjes over had. Met z‘n allen zitten we in de auto en wisselen vakantie-ervaringen uit. Pas weer een uur later komen de anderen terug. Na de rivier wachtte hun nog een uitdaging: de toegang tot de grot. Via een steile afdaling over uiterst gladde stenen moet je naar de ingang van de grot. Jan is de enige die de grot bereikt heeft en binnen gaat. Het riviertje loopt ook door de grot en in de eerste kamer staat het water zo’n 1,50 meter hoog. De grot is ontoegankelijk tenzij je kan vliegen of Arachnocampa tasmaniensis heet. Zonde dat we hier de dag aan verspild hebben. Niemand kan er wat aan doen dat de grot door de vele regen ontoegankelijk is, maar een gids met goede lokale informatie had moeten weten dat een missie naar de grot in deze omstandigheden niets op zou leveren. We hadden de tijd heel wat beter kunnen benutten.

Bijna ongeluk op zee

Na de grot stoppen we in Hobart bij de K-mart waar het aardige meisje uit de dure sportzaak ons ook heen stuurde. De halve groep heeft niet gezien dat er ergens stond dat je voor Maria Island een slaapzak nodig had en schaft dus nu hier een goedkope slaapzak aan. Onze eindbestemming vandaag is een hotel op Tasman Island waar we eerder zijn geweest voor de schitterende uitzichten en de strafkolonie Port Arthur.

We moeten vroeg op voor een boottocht die de hele dag gaat duren. We gaan de zee op en varen naar de rand van de continentale plaat waar de zeebodem de diepte in duikt en veel voedingsstoffen naar boven komen. Daar kan je veel zeevogels treffen, verschillende soorten albatrossen, stormvogels en nog veel meer. We hebben een kleine boot voor ons alleen. Ondanks dat er nauwelijks wind is, golft het schip zodanig dat lopen eigenlijk niet te doen is. Aanvankelijk zien we wat snel vliegende zeevogels die of zwart-wit of bruin zijn en het duurt een tijdje voor ik iets uit elkaar kan houden. Net als het saai begint te worden, houdt de boot in en wordt er afvalvis in het water gegooid. De vogels komen vlakbij en zitten voor je neus in het water, zelfs de grote albatrossen. Maar door de sterke golfslag is verplaatsen of staan ten enenmale onmogelijk. Ook fotograferen lukt nauwelijks.

Witkapalbatros, Tasmanië, Australië

Witkapalbatros vlak voor water overboord komt

Rik weet van de vierkante bank in het midden van de boot gehurkt naar de reling te komen en houdt zich daaraan vast. Ik zit op het randje van de bank en houd Rik vast. En dan gebeurt het. Opeens stroomt een grote golf van achteren de boot in. De boot helt schuin naar onze kant en het water stroomt met een grote vloed binnen, terwijl het schip steeds meer helt en nieuw water krachtig naar binnen stroomt. Door de kracht zitten we allebei op de grond met ons billen in het water, terwijl door het steeds sneller instromende water de boot steeds verder gaat hellen. We denken allebei dat dit einde verhaal is en we of kapseizen of van de boot gespoeld worden. Dan stoppen de golven en komt de boot rechter te liggen, nog steeds bonkend in de golven. Iedereen is vreselijk geschrokken.

Wat is er gebeurd. Door het bonken van het schip is iemand op een hendel gevallen of heeft zich eraan vastgehouden. Die hendel stuurt het schip in volle kracht achteruit. Normaal hoort de kapitein dat te kunnen blokkeren, maar zijn knop weigert dienst, zodat de boot op volle kracht achteruit een hoge golf invaart die wel met het bootje wil spelen. Een van de bemanningsleden klautert over ons heen en zet de handel goed, waardoor de vloed stopt. We zijn samen met een derde groepslid het natst van allemaal en zo nat wil en kan je niet in de koude wind buiten zitten. Rik die met zijn lastige arm op de stampende boot niet overeind komt, wordt overeind geholpen en gedrieën zitten we kleddernat binnen. Gelukkig genoeg is er niemand gewond of overboord geslagen.

Na de schrik en met de natte kleren is de lol er wel af, we willen terug. Dat kost nog aardig wat moeite, omdat niet iedereen terug wil en zeker Jan niet. Het derde groepslid is behoorlijk koud en klaagt en krijgt dan nota bene van Jan een uitbrander. Niet chique. Met ons valt het nog mee, we kunnen binnen niets meer zien, maar de kou is redelijk uit te houden. We krijgen het advies de natte kleren uit te trekken, maar naakt op de boot verder trekt niet echt en lijkt ons niet warm. Het derde groepslid begint onderkoelingsverschijnselen te vertonen. Hij zit als een vogeltje ineengedoken op de bank, zegt niets en schudt bijna van de kou. Ik roep Jan erbij om te zeggen dat het echt niet goed gaat. Nu is Jan kordater, we gaan terug, nog 1,5 uur varen. We vragen om een deken voor de verkleumde man, ze hebben niets. De kapitein, een aardige man, geeft zijn warme vest en we reiken hem handdoeken aan.

Eenmaal aan land merken we pas echt hoe koud we zijn. Bij het hotel gaan we onder een warme douche en trekken droge kleren aan. Toevallig hebben we een soort appartement met een combi was- en droogmachine. Alle natte kleren gaan de droger in en na een uurtje zijn ze weer droog. De wandelschoenen zullen er wat langer over doen, die staan onder de warmtelampen in de douche. Na een kop koffie en een broodje zijn we wel weer boven Jan.

Geslaagde middagwandeling

Ter compensatie van de mislukte tocht verzamelen we ‘s middags voor een uitje. Iedereen is nog vol over wat er gebeurd is. We dachten allemaal dat het slecht af zou lopen. En eerlijk gezegd een of twee golven meer of een iets later reagerend bemanningslid en we zouden echt gekapseisd zijn. Een van de groepsleden – ze doet zich graag voor als assistent reisleider – merkt op dat het achter de rug is en toch wel meeviel. Zijn we niet met haar eens. Een deelnemer onderkoeld in bed en een andere deelnemer heeft twee superdure fototoestellen met bijbehorende lenzen die hij door de overstroming met zout water weg kan gooien. Is er toch wel iets gebeurd. We wandelen al vogels spottend over een pad met uitzichtpunten over de kust waar we met de Tasmanië rondreis niet gekeken hebben. Guille vertelt veel over de planten en het type vegetatie, we zien leuke vogeltjes en het is aangenaam weer. Maar voor het echte feestje zorgt een mierenegel die langs de kant scharrelt en dan in zijn holletje onder de struik verdwijnt. Dan zijn alleen zijn stekelige billen nog zichtbaar.

Klifkust op Tasman Peninsula, Tasmanië, Australië

Klifkust op Tasman Peninsula

‘s Avonds gaan we naar het strand, voor de vierde keer deze reis staan we op wacht om de dwergpinguïns uit zee te zien komen. We staan op het strand en het wordt donkerder en donkerder en we kunnen nauwelijks meer iets zien en we verwachten niet veel meer. Maar na een uur komt een groepje van een stuk of acht pinguïns uit zee. Ze lopen over het strand en waggelen dan het steile, rulle zandduin op naar hun nesten waar ze inmiddels jongen hebben. Groepje na groepje komt uit zee om daarna omhoog te klimmen. Na een paar groepjes merken we dat twee groepjes aarzelen of ze wel verder zullen gaan of toch maar terug naar zee. We vermoeden dat ze ons niet waarderen en we blijven dus niet langer, maar lopen terug het duin op om de pinguïns de ruimte te geven. Foto’s maken zit er met het zwakke rode licht nauwelijks in, maar zomaar zonder georganiseerde tour zelf de pinguïns uit zee zien komen, is een bijzondere ervaring. Een mooi einde van een enerverende dag.

Maria Island

Onze laatste bestemming op Tasmanië is Maria Island. Maria Island is een relatief klein eiland en een voormalige strafkolonie. Het hele eiland is nu een natuurreservaat zonder permanente bewoning. Wel zijn er parkwachters en ook wetenschappers kunnen er verblijven. Het autovrije eiland heeft geen voorzieningen, er is geen elektriciteit, geen drinkwater en geen winkels of horeca. Wel kan je in de voormalige gevangenis overnachten, maar de accommodatie is basaal. Er zijn slaapzalen van 2-14 personen zonder sanitair, er zijn wel matrassen, maar verder is er geen beddengoed. Een handdoek heb je niet nodig, want een douche is er niet, gelukkig wel een toilet buiten. Vandaar onze dekens van de kringloopwinkel van het Rode Kruis en de stop bij de K-mart voor een groot deel van de groep.

Je moet ook zelf al je eten en kookgerei meenemen en in een gemeenschappelijke keuken kan je dan een maaltijd bereiden. We stoppen bij een supermarkt en Jan stelt voor dat we voor ‘s avonds en ‘s morgens zelf uitzoeken wat we willen – we gaan niet koken, maar nemen simpele dingen mee – die hij dan afrekent. Klinkt als een handig plan dus wij hebben snel onze boodschappen bij elkaar. Met alle spullen rijden we naar de ferry. Daar hebben ze een doordacht bagage systeem. Alle bagage gaat in grote plastic bakken die met een kraan aan boord worden getild. Hoef je zelf niets voor te doen.

Na een half uurtje varen, zijn we bij Maria eiland. Het is heel anders dan we verwacht hadden. We hadden een ruig bergachtig eiland verwacht, maar treffen een vriendelijk groen eiland met glooiende heuvels en een prachtige begroeiing. Na een klein stukje lopen zien we het voormalige gevangenis complex met wat lege gebouwen, de voormalige eetzaal die nu ingericht is als keuken en het omgebouwde cellencomplex waar nu de slaapzalen zijn. We krijgen net als in de hotels allemaal onze eigen slaapzaal met drie stapelbedden, en een tafel met twee houten banken. In de kamer staat een metalen kist met stevige deksel. Daar moet je je eten in bewaren om te voorkomen dat gemakzuchtige dieren binnenkomen om te kijken of je iets lekkers bij je hebt. Ook nu is er geen gesleep met bagage. Vanaf de plastic bakken kan je de bagage overladen in metalen karren en zo je spullen naar de accommodatie vervoeren.

Waarvoor kiezen we deze primitieve accommodatie? Maria Island heeft een populatie van zo’n 50-60 Tasmaanse duivels en dit is zo ongeveer de enige plek op heel Tasmanië waar je kans hebt om ze te zien. Bovendien zijn er veel wombats en pademelons op het eiland en ook deze beide soorten kan je hier goed zien. Toen we Anthony (van de tiendaagse rondreis) vertelden dat we hierheen gingen, zei hij dat je niet op Maria Island kon zijn zonder een wombat te zien. Alles bij elkaar dus een plek waar je dolgraag naartoe wilt.

We hebben van het hotel lunchpakketten meegekregen die we na aankomst opeten in de gemeenschappelijke keuken. Ik vraag Guille of we overdag kans hebben om de Tasmaanse duivel te zien. Nee, we moeten geduld hebben tot het donker is. Na de lunch lopen we de keuken uit en wie rent er langs de rij slaapzalen? Inderdaad, de Tasmaanse duivel. Hij rent langs alle kamers in de hoop dat er een deur open is voor een hapje eten, rent daarna over het grasveld, komt nog even terug, rent naar de andere kant en verdwijnt dan richting het bos. Ik had wel gehoopt, maar niet verwacht dat we hem echt zouden gaan zien en dan verzorgt de duivel zo een optreden. We kunnen zijn wat gedrongen lijf met korte pootjes en witte vlek en de rode oortje echt zo goed zien. Met een flits zouden we al tevreden zijn geweest en dit overtreft alles. Het verblijf hier is nu al geslaagd.

Tasmaanse duivel op Maria Island, Tasmanië, Australië

Tasmaanse duivel

Niet veel later spotten we de eerste wombat. Je moet twee meter afstand houden, maar dat weet wombat niet. Hij loopt zowat over mijn voeten. Ze zien er zo knuffelbaar uit dat je ze zou willen aaien. In werkelijkheid zijn ze niet zo knuffelig. Met hun scherpe tanden en sterke klauwen kunnen ze aardig wat en ze hebben een zeer gespierde kont. Als ze in hun hol zitten en zich bedreigd voelen, kunnen ze een onvoorzichtige aanvaller met hun sterke billen platdrukken.

Zowel de wombats als de Tasmaanse duivels zijn op Maria Island uitgezet. Met de Tasmaanse duivels ging het heel lang heel slecht. Belangrijkste oorzaak was een besmettelijke gezichtskanker die ze binnen drie maanden het leven kostte. Op Maria Island is om uitsterven te voorkomen, een populatie gezonde duivels uitgezet. De wombats hier zijn een ondersoort die alleen op Flinders Island leeft. Omdat een populatie die maar op één geïsoleerde plek voorkomt erg kwetsbaar is, is deze wombat op Maria Island uitgezet. Hij is wat hariger en heeft langer haar dan zijn Tasmaanse neefje. Ze houden wel van Maria Island en zijn bijzonder tam. We zien er handenvol van, allemaal even leuk.

Wombat op Maria Island, Tasmanië, Australië

Wombat op Maria Island

‘s Middags maken we een mooie wandeling met Guille. Hij vindt massa’s vogels en een aantal soorten die we eerder gemist hebben, zien we nu toch. Maar hoogtepunt van de wandeling is opnieuw een Tasmaanse duivel die we lange tijd door het bos naast het wandelpad kunnen volgen. Zo geweldig om hem hier in zijn natuurlijke omgeving bezig te zien. Een ander voordeel van Maria Island is dat we wandelen met droog weer en een aangename temperatuur. Het is heerlijk op Maria Island. Zelfs de stevige regenbui die we na twee uur mooi weer over ons heen krijgen, kan daar niets aan afdoen. Na terugkomst ontmoeten we nog een buideldier: de kortneusbuideldas. Het is een klein bruin diertje die in niets op een das lijkt en ook helemaal geen korte neus heeft. Ze hebben ongeveer de grootte van een egeltje en qua bouw houden ze het midden tussen een rat en een egel. Ze hebben een spits snuitje en neusje, ronde oortjes en een kort staartje en de beweeglijkheid van een rat. Hij eet een appeltje, waarbij hij weinig tafelmanieren vertoont en stukjes appel alle kanten opvliegen. Hij is duidelijk mensen gewend. Tijdens het eten houdt hij de boel goed in de gaten, maar steeds piept hij weer tevoorschijn, omdat de appel te lekker is.

Kortneusbuideldas op Maria Island, Tasmanië, Australië

Kortneusbuideldas

Bij het avondeten blijkt dat Jan toch voor iedereen salades en andere dingen heeft ingeslagen. Wij en enkele anderen hebben zelf al eten. Ideeën wisselen hier soms snel en de helft van de groep wist niet beter dan dat er centraal werd ingekocht , terwijl de andere helft de opdracht had zelf dingen uit te zoeken. Maar goed, er is eten genoeg en voor elk wat wils. Na het eten begint de wacht op de Tasmaanse duivel. Na een uurtje laat hij zich zien, alweer rennend over het veld. Nog later vertoont hij zich in het bos, moeilijker zichtbaar, maar duidelijk aanwezig. Als we op de Tasmaanse duivel wachten, hopt er een grijze reuzenkangoeroe voorbij. Met zijn grote poten te snel voor de foto, maar als tussenprogramma zeker geslaagd. Zeer tevreden stappen we in bed. Met kleren aan en de Rode Kruis dekens is het nog steeds te koud. Maar fiat, wie klaagt er na zo’n dag over een koude nacht?

Van primitief naar luxe

We staan om zes uur op in de hoop op nog een ontmoeting met onze Tasmaanse duivel vriend. Helaas, hij werkt deze keer niet mee, maar we nemen hem niets meer kwalijk. Hadden we gisteren een vriendelijk zonnetje, vandaag is het koud en staat er een ijzige, gure wind. Hoezo voorjaar hier. We hebben de vroege ferry en zijn de enige klanten. Daarna gaan we rechtstreeks naar de luchthaven voor onze vlucht naar Melbourne. We halen het wel, maar het is allemaal erg krap. We zijn minder dan 1,5 uur van tevoren op de luchthaven en moeten dan nog ompakken na het nachtje Maria Island. Voor het afgeven van de bagage staan we eerst bij de verkeerde maatschappij in de rij wat het proces ook niet versnelt. Maar goed, zelfs Guille en Jan die eerst de busjes in moesten leveren, zijn op tijd.

We vliegen rond lunchuur en bekijken de kaart met lunches die het vliegtuig verkoopt. Na een tijdje komen ze vragen of we lunch willen, wat we afslaan. Maar, beweren ze, het zit inbegrepen in het ticket. Dat verandert de zaak. Riks lunch kan geleverd worden, mijne niet, ik moet uit de snacks kiezen. Aangezien die veel goedkoper zijn vraag ik of ik dan twee snacks mag. Dat kan niet want de voucher is voor ons samen. Huh? Ze kunnen nooit weten dat wij bij elkaar horen. Goed, we zeuren verder niet, Rik krijgt zijn lunch ik een snack en een flesje sap. Tot onze verbazing krijgt de rest van de groep niets. Dat klopt niet. Dan valt bij Rik het kwartje. Om naast elkaar te zitten heeft een aardige dame haar linker midden plaats geruild met Riks rechter midden plaats. Zij had waarschijnlijk recht op de lunch die wij opgegeten hebben. Kennelijk wist zij ook niet dat ze een lunch had, want ze is absoluut niet verbaasd of doet navraag. Nou ja, zo komt Jan Splinter door de winter.

Na aankomst lunchen we opnieuw, nu met de hele groep en worden de nieuwe busjes opgehaald. In de buurt zit een kolonie van zo’n 30.000 grijskopvleerhonden. We volgen een pad langs de rivier en al voordat we bij de vleerhonden zijn, vliegen de vogels om ons oren. Vooral enorme groepen uiterst kleuren regenboogparkieten stelen de show. De vleerhonden zijn fantastisch. De bomen hangen vol, soms vliegt er een groep over en andere dieren zijn druk met poetsen, klauteren of zitten lekker in hun dichtgeslagen reuzenvleugels te dutten.

Daarna is het tijd voor het hotel. Het contrast met de slaapzaal van Maria Island is groot. We hebben een zitkamer met open keuken met bankstel en eethoek. Rik vraagt zich af of er ook een bed is. Dat staat in een aparte slaapkamer. Rik grapt dat er niet eens een wasmachine en droger is, maar die vinden we later alsnog in een kast. Onze laatste avonturen op het vasteland bewaren we voor de laatste brief van deze reis.

naar volgende pagina:
Australië 2025 rondzendbrief 9