[Verzonden op 18 september 2025 vanuit Mossman]
Zoals altijd zijn de dagen propvol en komt er niets van schrijven terecht. Gisteren heb ik eindelijk iets aan mijn dagboekje kunnen doen en nu mag ik nog een half uurtje voordat we naar bed moeten. Laat ik maar snel met de start van de reis beginnen, de eerste dagen zijn zo af.
Lange aanloop
Een dag voordat we vliegen, gaan we ‘s middags al naar Schiphol om daar te overnachten. Woensdag op de dag van vertrek moeten we om acht uur op Schiphol zijn en met Wouter Koolmees achter het stuur weet je maar nooit of de trein op tijd komt. Een dag eerder scheelt dan een hoop zorgen. Bovendien kunnen we dan nog even gezellig thee drinken met onze trouwe oppas en ‘s avonds eten we in het hotel samen met familie die dicht in de buurt woont. Veel beter zo.
De shuttle van het hotel brengt ons naar Schiphol en daar ontmoeten we het grootste deel van de groep waar we de eerste weken mee reizen. We vliegen eerst van Schiphol naar Singapore, een vlucht van 13 uur. We komen daar ‘s morgens vroeg aan, terwijl bij ons ongeveer de nacht begint. Na drie uur vliegen we verder naar Darwin; die vlucht duurt nog eens vijf uur. Omdat het daar weer later is dan in Singapore – het tijdsverschil met Nederland is inmiddels 7,5 uur – komen we daar in de loop van de middag aan, terwijl we thuis misschien net aan opstaan zouden denken. De groep is nu compleet en bestaat uit 11 personen plus de Nederlandse reisleider, zijn vriendin en de Australische gids, Martin. Met twee busjes rijden we naar het hotel dat vlakbij blijkt te zijn.
Direct een vogelronde
Na een half uurtje verzamelen we voor een eerste vogelronde. We kijken eerst wat rond op het terrein zelf waar al veel te zien is. Hoogtepunt is de griel. De griel, een grote vogel met ontzettend lange benen en prachtige, grote staarogen, is een van mijn absolute favorieten. Probleem is dat ze uitermate schuw zijn en vooral in de nacht actief, dus een griel zien, vraagt doorgaans veel geduld. Hier lopen ze door de tuin, over het terras en zitten onder tafel. Vanaf het hotel maken we een kort ritje naar Buffalo Creek, een getijdenrivier met zout water. Het water staat laag, zodat we al gelijk veel steltlopers en reigers zien. Dat we in het noorden van Australië zijn, moeten we vooral niet vergeten. We worden gelijk gewaarschuwd dat we niet te dicht bij het water mogen komen vanwege de zoutwaterkrokodillen die erg agressief zijn. Wij houden wel afstand.
Na het diner, de briefing en de checklist zijn we om half tien op de kamer. Dan is het wel tijd voor het bed, morgen vertrekken we om half zeven en we zijn best een beetje moe. De checklist verdient nog enige uitleg. Elke avond sluiten we af met de checklist. Alle 767 mogelijke vogelsoorten worden doorgelopen om aan te vinken welke soorten er die dag gezien zijn, ook de zoogdieren en reptielen worden geteld. Daarna wordt het dagtotaal en totaal van de hele reis geteld. Hard werken dus, het is per slot geen vakantie.
Over Australië
Voordat ik met de eerste echte reisdag begin, eerst maar weer even wat korte achtergrondinformatie over Australië. Australië, officieel het Gemenebest van Australië (Commonwealth of Australia), bestaat uit het Australische vasteland en een groot aantal eilanden in de Indische en Grote Oceaan, waarvan Tasmanië het grootste is. Met een oppervlakte van 7.692.000 km² is Australië het op vijf na grootste land ter wereld naar oppervlakte. Van de circa 27 miljoen inwoners woont het grootste deel in en nabij de grote steden.
Archeologische vondsten wijzen erop dat de eerste mensen zo’n 65.000 jaar geleden naar Australië kwamen, de Aboriginals. Doordat destijds het zeeniveau veel lager lag, waren er natuurlijke bruggen tussen Azië en Australië waardoor mensen waarschijnlijk maar een klein stukje hoefden te varen om Australië te bereiken. Toen de aarde opwarmde en het zeeniveau steeg, werd Australië een eiland. Rond het einde van de ijstijd, zo'n 15.000 jaar geleden, ontstond de Aboriginal-cultuur zoals wij die nu kennen. Daarmee heeft Australië de langst doorlopende culturele geschiedenis ter wereld.
Willem Janszoon, een Nederlandse ontdekkingsreiziger, zag met zijn Duyfken Australië als eerste Europeaan in 1606, toen hij langs het noorden van Australië voer. De westkant van Australië werd later ook verschillende malen door Nederlanders en andere Europeanen bezocht, maar dit Nieuw-Holland groeide niet uit tot een kolonie. In 1768 ging James Cook met zijn Endeavour op expeditie naar Tahiti en Nieuw-Zeeland met aan boord wetenschappers, waaronder de amateur botanicus Joseph Banks. De oostkust werd bij toeval ontdekt. Cook ging aan land in Botany Bay (nu Sydney), claimde de gehele oostkust voor Engeland en noemde het gebied New South Wales. De opgetekende ervaringen en ontdekkingen van Banks speelden 15 jaar later (1786) een cruciale rol in de beslissing om van Botany Bay een strafkolonie te maken. De Engelse regering zag in Australië een oplossing voor de overbevolkte Engelse gevangenissen en besloot daarom strafkoloniën in Australië te stichten. Port Jackson in de buurt van het huidige Sydney, was in 1788 de eerste.
Daarna werd het land ook populair onder vrije burgers. In 1849 werd er goud gevonden waarna de bevolking snel toenam. Ze konden voor vrijwel niets stukken land aankopen van de Britse regering. De Britse kolonisten eigenden zich direct het land en de waterbronnen van de inheemse bevolking, de Aboriginals, toe, en rechtvaardigden dit met de redenering dat deze inheemsen het begrip ‘landeigendom’ niet kenden en ‘dus’ wel verdreven konden worden. Verwoesting van land en voedselbronnen van de Aboriginals leidde tot hun verhongering. Aboriginals reageerden tot in de 19e eeuw met gewapend verzet en guerrillaoorlog; blanke kolonisten reageerden daar weer op met grote gewelddadigheid en willekeurige massaslachtingen. Schattingen zijn dat in 1770 de Aboriginal-bevolking tussen de 300.000 tot 1 miljoen mensen telde, en dat tegen het jaar 1900 90% daarvan was weggevaagd als gevolg van landdiefstal, direct geweld en Europese besmettelijke ziekten.
In 1901 keurde Australië een federale grondwet goed en werd een zelfregerend deel (dominion) van het Britse Rijk. Melbourne werd de eerste hoofdstad, maar in 1911 schreef de regering een prijsvraag uit voor het ontwerp van een nieuwe hoofdstad. Het winnende ontwerp van Walter Burley Griffin werd uitgevoerd vanaf 1913 en in 1927 werd het aldus ontstane Canberra de nieuwe hoofdstad.
Het tegenwoordige Australië is een federale parlementaire democratie en constitutionele monarchie (een Commonwealth realm) met als staatshoofd koning Charles III, vertegenwoordigd in Australië door de gouverneur-generaal. Internationaal is Australië lid van de Verenigde Naties, de G20, het Gemenebest van Naties, de OESO en de WTO.
Een groot deel van Australië bestaat uit woestijn. Enkel in het noordoosten zijn er regenwouden, die verder naar het zuiden vaak meer subtropisch dan tropisch zijn. In de dorre, hete binnenlanden zijn er naast woestijnen ook steppe- en savanneachtige gebieden, de scrublands. Australië is het laagste en vlakste continent. Een groot deel van het woestijngebied ligt net boven de zeespiegel, met in het westen het Centrale Laagland en het Westelijk Plateau. Aan de oostkust liggen bergketens en bevindt zich ook de hoogste berg, Mount Kosciuszko, met een hoogte van 2.228 meter. Door het droge klimaat kent Australië rivieren waarvan vele een deel van het jaar helemaal droogstaan.
Een van de belangrijkste oorzaken van het unieke karakter van de Australische fauna is de langdurige isolatie van het continent. Ongeveer 50 miljoen jaar geleden splitste het huidige Australië zich af van het supercontinent Gondwanaland en begon het zich noordwaarts te bewegen. Pas ongeveer 5 miljoen jaar geleden botste de Australische Plaat met Azië. De buideldieren bijvoorbeeld hebben zich vanuit waarschijnlijk slechts één of enkele grondvormen in allerlei vormen ontwikkeld. Een tweede belangrijke factor was het ontstaan van de circumpolaire zeestroom (rond Antarctica) ongeveer 15 miljoen jaar geleden. Hierdoor werd Australië een relatief droog continent en dat leidde tot het ontstaan van vele aan droogte aangepaste diersoorten.
Australië heeft op zoogdiergebied alles: eierleggende zoogdieren zoals het vogelbekdier en de mierenegel, buideldieren (kangoeroes, koala’s en nog veel meer) en placentadieren als vleermuizen, knaagdieren en zeezoogdieren. Vanaf ongeveer 5000 jaar geleden introduceerde de mens diverse zoogdieren, als eerste de dingo. Australië kent ongeveer 830 vogelsoorten, van grote zoals de emoe tot kleinere zoals prieelvogels. Ook bestaan er in Australië grootpoothoenders die hun eieren in hopen rottend plantenmateriaal uitbroeden en de temperatuur daarvan controleren (thermometervogels). Als eenmaal de kuikens geboren zijn, laten ze die aan hun lot over.
Ook reptielen zijn er te over. De grootste krokodil, de zoutwaterkrokodil, kan zeven meter lang worden en is gevaarlijk voor mensen. Er komen meer dan 210 soorten slangen voor waarvan er veel giftig zijn. Een van de gevaarlijkste soorten is de bruine slang, die algemeen voorkomt en onopvallend is. We gaan proberen niet per ongeluk op hem te gaan staan. Naast giftige slangen leeft ook de uiterst giftige tunnelwebspin er, met beten die fataal kunnen zijn. We zullen hem met respect behandelen.
Van Darwin naar Kakadu NP
Terug naar de reis voor onze eerste echte reisdag. We staan al vroeg op om opnieuw naar Buffalo Creek te gaan. Het water staat nu veel hoger dan gisteren in deze getijdenkreek. Er zijn weer meer dan genoeg vogels te zien en een aantal die ik gisteren gemist heb, zie ik nu wel. We zien veel steltlopers, prachtige ijsvogels en een indrukwekkende zwarthalsooievaar. Vanaf de kreek keren we terug naar het hotel voor ontbijt. Daarna vertrekken we richting Kakadu National Park, maar daar zijn we voorlopig nog niet.
Onze eerste stop is bij een mangrovebos waar een mooi vlonderpad doorheen loopt. Het water staat er nu laag, zodat er nu alleen maar kleine poeltjes water op de modderige bodem achtergebleven zijn, waarin kleine krabbetjes en heremietkreeftjes in onopvallende schutkleuren rondscharrelen. Aan vogels geen gebrek. Probleem is wel dat we met een groep van 12 man plus twee gidsen reizen en op het vlonderpad iedereen op een kluitje staat als er wat te zien is. Bovendien ben je nog met de ene vogel bezig als de andere al geroepen wordt en meestal niet een andere maar wel twee of drie door elkaar. Al die vogelaars uit de groep zien zelf ook van alles. Als stumperende vogelaar zoals ik weet je dan echt niet meer waar je naar wat moet kijken en mis je veel meer dan met een eigen gids of een klein groepje. De gidsen moeten hun aandacht teveel verdelen en ondertussen wil iedereen bij alles goed zicht hebben. Maar ook al zie ik minder dan de rest, er blijft genoeg over dat ik wel zie.
Na een korte rit wandelen we door een droog, savanne-bosachtig gebied. Het ideale gebied voor de regenboogpitta. Pitta’s zijn zulke leuke vogels. Ze zijn heel kleurig, nogal gedrongen en houden ervan om zich te verschuilen in een met een laag takken en bladeren bedekte bodem, zodat je ze moeilijk vindt. Overal staan bordjes met foto’s van pitta, maar van pitta zelf geen spoor. Tot Martin – de Austalische gids die eigenlijk uit Engeland komt – iets hoort. Na een poosje laat pitta zich lokken als Martin hen roept (door zijn geluid af te spelen). Pitta zit in de boom, achter wat blaadjes. Maar ja, pitta weet ook dat er werk gedaan moet worden, dus na een poosje vliegt hij naar de grond en begint aan zijn werk: alle blaadjes met een snelle beweging omkeren en opzij gooien om alles wat er aan kleine beestjes zit op te eten. Hij is zo geconcentreerd bezig dat hij langzaam maar zeker steeds meer in ons gezichtsveld komt tot we hem echt prachtig kunnen zien. De naam regenboog heeft hij terecht. Hij heeft blauw op zijn vleugels rood aan de onderkant groen hier en daar en op zijn zwarte kop twee geraffineerde roodbruine strepen. We bedanken pitta hartelijk voor de medewerking.
Gisteren hebben we op de camping al het rood boshoen gezien, een van de vogels die liever geen kinderen opvoedt en het warme klimaat gebruikt om eieren uit te broeden. Of het ze echt werk bespaart kan je je afvragen. We zien meerdere nesten van ze. Het zijn enorme bergen die wel vijf meter hoog kunnen worden en een diameter hebben van zo’n vier meter. Zelfs met grote poten toch een heel karwei.
De Fogg Dam is een wetland (waterrijk gebied) en een vogelparadijs. Het was oorspronkelijk een rijst gebied, maar de rijst werd opgegeten door grote groepen ganzen en inmiddels is het een mooi en rijk natuurgebied. Helemaal ongevaarlijk is het er niet. Door het gebied loopt (over de dam) een weg dwars door het gebied en daar rijden we met de auto over. In het water leven zowel zoet- als zoutwaterkrokodillen. Die hebben er een hekel aan als er mensen over de weg lopen. We kunnen maar op een paar plaatsen verantwoord stoppen en moeten dan uit de buurt van het water blijven. Een van de groepsleden ziet een krokodil op de kant liggen, een ander gaat kijken. Dat bevalt krokodil niet en razendsnel doet hij een uitval. Ze kan nog net op tijd achteruit springen en is zich rot geschrokken. Martin zegt dat ze geluk heeft dat het een zoetwaterkrokodil was, want met een zoutwaterkrokodil had het echt slecht af kunnen lopen. We zijn allemaal extra gewaarschuwd (wij waren toch al voorzichtig). Bij de Fogg Dam zien we ons eerste zoogdier: de zandwallaby. Twee prachtige lichtbruin gekleurde grote wallabies, (ongeveer soort kangoeroe), met op hun flank een mooie lichte streep. Ook in het Kakadu Park stoppen we nog op verschillende plekken en overal waar we stoppen, zien we leuke dingen.
Als we na al het kijken nog 180 km te gaan hebben naar Jabiru, ons overnachtingsadres, wijst de klok al half vijf aan. Normaal verveel ik jullie niet met informatie over de hotels, maar dit hotel verdient vermelding. Het hotel is namelijk gebouwd in de vorm van een krokodil. Je komt binnen in de bek en slaapt in zijn binnenste Dat klinkt misschien niet heel uitnodigend, maar gelukkig is hij zo groot dat er binnenin gewoon kamers zijn. We zijn niet de enige groep, het is er een drukte van belang. De vogellijst doen we dan ook niet aan tafel, maar in een zaaltje opzij. Ik zie best veel op een dag en ook mooie dingen, maar aan het eind van de dagen is mijn vogellijst behoorlijk korter dan de totaallijst waarbij ook overvliegende flitsvogels die één iemand gezien heeft, meetellen.
Onze groep van twaalf lijkt tot nu toe geschikt en bestaat uit drie koppels, twee alleen reizende vrouwen en drie alleen reizende mannen en de vriendin van de reisleider. Naast Nederlanders zijn er ook twee Belgen in de groep. De beide reisleiders zijn deskundige vogelaars en Australische Martin is daarnaast ook een vakkundige reisleider die alles perfect regelt en organiseert. We hebben een divers gezelschap variërend van een pedicure, tot een psycholoog en een beleidsmedewerker van het Belgische Natuurpunt (ongeveer combinatie van natuurmonumenten en vogelbescherming). Op vogelgebied zijn ze allemaal een stuk beter dan wij, maar op één stel en een man na niet vervelend fanatiek en altijd bereid te helpen. Gelukkig vinden ook genoeg mensen andere dingen leuk om naar te kijken. De Belg van Natuurpunt steekt met kop en schouders boven iedereen uit. Hij ziet alle vogels en ook bijna altijd als eerste. Hij heeft ook een bom aan ervaring. De gepensioneerde hoogleraar econometrie proberen we de onzin van de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel uit te leggen. Het is vergeefse moeite, hij denkt dat het nuttig is. Hij is verder best geschikt.
Kakadu NP
Ik had jullie bij de vorige reis verteld over de problemen met mijn kijker die het begaf toen we nog 3,5 week te gaan hadden. Inmiddels is die weer gerepareerd, maar aangezien hij nu voor de derde keer problemen gaf tijdens een reis, wilde ik toch een technisch betere. Dankzij uitstekend advies van de kijkerreparateur heb ik nu een superkijker met stabilisator die enorm vergroot (voor de deskundigen: een Kite 16*42). Laat nou de Belg van Natuurpunt net zo’n kijker hebben en goede vriend zijn van de kijkermaker. Ik bevind me in goed gezelschap. Ik ben echt heel gelukkig met deze kijker. Natuurlijk mis ik nog steeds vogels, maar als ik ze op tijd vind, zie ik ze super.
Kakadu National Park is een beschermd gebied in de provincie Northern Territory in het uiterste noorden van Australië en staat op de Werelderfgoedlijst. Het gebied is 19.804 km2 groot en meet 200 km van noord naar zuid en meer dan 100 km van oost naar west en is het op een na grootste nationale park in Australië. Het grootste deel is eigendom van de Aboriginals die er al 60.000 jaar wonen. Samen met Parks Australia voeren ze het beheer over het gebied. Het park is ecologisch en biologisch zeer divers en herbergt door zijn grote variatie aan habitats een rijke flora en fauna. Daarnaast is het park beroemd vanwege de vele Aboriginal rotstekeningen.
Na het ontbijt om zes uur gaan we direct op pad naar de zandsteenformaties in het Kakadu park. Daar zitten twee vogels die je nergens anders kan zien en waar je vroeg de meeste kans op hebt. Het gaat om een ongeveer rotslijster (rotslijsterdikkop voor de liefhebbers) en een duif, de roodvleugelkwartelduif, allebei soorten die volgens de gidsen lastig te vinden zijn. Mochten we ze niet vinden, lijkt dat ook geen ramp, want het landschap alleen is al meer dan de moeite waard om hierheen te gaan. In een zanderig open landschap met wat bomen en droge struiken verrijzen hoge torens van rotsen die door de onregelmatige verwering allerlei grillige vormen hebben. De rotslijster werkt goed mee en laat zich, na een aantal andere vogeltjes, goed zien. We maken een mooie, niet al te lange wandeling door het gebied en zelfs om 7 uur ‘s morgens loop je al met een natte rug bij een niet inspannende wandeling.
Ubirr is onze volgende stop, een plek die beroemd is om zijn Aboriginal rotstekeningen. We krijgen strenge instructie dat we die op de heenweg over moeten slaan. We klimmen eerst naar het uitzichtpunt om de duif te zoeken en op de terugweg mogen we naar de rotstekeningen kijken. Het is een heel warme klim omhoog, maar de beloning is er naar. Boven heb je 360 graden uitzicht met aan een kant de rotsen en de boompjes en aan de andere kant een ver grasland met een nog drassig stuk land met waterlelies. De talloze druk converserende, witte kaketoes zien we nu van bovenaf. De duif trekt zich niets aan van alle moeite die we gedaan hebben. Hij is goed gecamoufleerd en laat zich noch door de ervaren gidsenogen, noch door de andere vogelaars spotten. Al pratend blijkt dat een van de vogelaars op het dak van het toiletblok een vogel gezien heeft die wel erg veel lijkt op de duif die we zoeken. Hij was de laatste en moest haasten, heeft dus geen foto gemaakt en niet de groep gewaarschuwd, maar na het bekijken van het plaatje is het zeker: de duif die we vergeefs zoeken zat beneden, boven op het toiletblok. Als we al besloten hebben terug te gaan, ziet een andere deelnemers twee ‘hoentjes’ op een rots. Haar partner – de echte vogelaar – corrigeert haar. Ze heeft onze duif gevonden en niet een, maar drie. Vanaf ons hoge uitzichtpunt volgen we de duiven die lager rondscharrelen. Onze Belg van Natuurpunt zag de klim niet zitten en is beneden gebleven. De duifjes lopen op twee meter afstand aan hem voorbij.
Ook wij klauteren weer naar beneden en de duifjes zijn zo vriendelijk om nog een tijd tussen de rotsen door te scharrelen. Hoezo schuw en moeilijk te spotten? Ze doen wat duiven altijd doen, gewoon voor je voeten lopen. Op de terugweg naar de parkeerplaats bewonderen we nog de oude, vooral rode rotstekeningen met sprietige mensjes, veel vis en hier en daar een krokodil. Soms lijkt de kunst eerder abstract, maar dat is misschien de tand des tijds.
Bij Cahills Crossing is een soort doorwaadbare plaats door de rivier. Echt slim om de rivier daar over te steken is het niet, want in het water liggen tientallen zoutwaterkrokodillen. Bij de weg door het water is een soort lage stuw waar de barramundi’s (vis) overheen moeten springen. Reden voor de krokodillen om zich daar in rijen met open bek op te stellen. Met een beetje geluk springen de vissen vanzelf in je bek. Ze zijn bepaald ontzagwekkend. De platen op hun rug zijn al fors en hoog, maar op hun staart zitten echt enorme schubben die aan dinosaurussen doen denken. Er moet ook sprake zijn van onderlinge concurrentie, want geregeld zien we er twee op de vuist (nou ja bek) gaan met elkaar. Je ziet een hoop gedoe in het water met staarten en gespat en het eind van het liedje is dat een van de twee zijn verlies neemt en weg zwemt.
Hier in het noorden is het vreselijk heet. Daarom stoppen we vandaag op het heetst van de dag en gaan we ‘s middags weer verder. Eindelijk tijd om bij te schrijven. ‘s Middags gaan we naar de Anbangbang Billabong, een nat gebied met een overdosis aan vogels. Heel veel eendjes, reigers, ooievaars en leuke minigansjes. Tweede punt is Nourlangie, beroemd om zijn rotstekeningen, die we eerst bekijken tijdens een fraaie rondwandeling. Daarna klimmen we naar een uitzichtplatform dat uitkijkt op opnieuw mooie, onregelmatige zandsteenformaties. Daar horen twee soorten vogels tegen de schemering te komen voor de nacht. Een van de twee is zo goed gecamoufleerd dat je hem alleen ziet als hij vliegt, de ander – ook al een duif – valt beter op. We wachten met z’n allen, genieten van het uitzicht, zien nog andere vogels, maar de ‘wenssoorten’, ho maar. Een van de groepsleden kijkt op een heel andere plek en vindt dan de duif, prachtig in het zicht. Helemaal niet bij de rotsen, maar in de boompjes op een mooie kale tak. De andere vogel rommelt ver weg tegen de rotswand in een boom achter de blaadjes en duikt dan naar beneden, zodat maar een enkeling hem gezien heeft. Tja, als hij geen zin heeft in bezoek, is dat maar zo. We komen in het donker pas terug en schuiven dan snel aan tafel.
Boottocht Yellow Water
Na twee nachten in het krokodilhotel vertrekken we al om half zes voor de boottocht over de Yellow Water. De boottocht is boven verwachting. We komen aan op een plek met wel vier boten voor 30-40 man met meerdere tochten per dag, dus je denkt eerder aan de Amsterdamse rondvaartboten, dan aan een vogeltocht. Maar niets is minder waar. De bootsman weet de vogels en krokodillen uitstekend te spotten, geeft goede uitleg en neemt alle tijd om alles te zien. De vogels zijn zo gewend aan de boten dat je ze nu heel makkelijk en van heel dichtbij ziet.
Hoofdprijs gaat naar de jacana, een tengere watervogel met enorme poten die op waterleliebladen kan lopen en daar zijn insectjes oppikt. Iedereen weet dat een vogel twee poten heeft, maar deze jacana heeft maar liefst tien poten. Uit het lijf van vader jacana – moeder jacana laat graag de opvoeding aan manlief over – steken acht pootjes met lange tenen die net de grond niet raken. Het lijkt hem niet te storen, want al rondlopend eet hij rustig door. Na een poosje zien we een klein koppie uit de rugveren steken en niet veel later verschijnt ook aan de andere kant een koppie. Boven het eerste verschijnt er nog een en dan laat ook het laatste kuiken zich zien. Ze glijden uit paps warme vogelveren op de grond en beginnen in navolging van pa ook driftig eten te zoeken op de voor hun enorme leliebladen. Het is onvoorstelbaar hoe vier van zulke kuikens in die ene jacana passen. De tocht is veel te snel afgelopen, alhoewel het ontbijt ondertussen ook best een goed idee is.

Jacana met inwonende jongen bij Yellow River
Van Kakadu naar Pine Creek
We verlaten het mooie Kakadu Park waar we nog een stop maken bij de Mary River. Volgens Martin, de Australische gids, zouden we daar een papegaai en een andere zeldzame vogel moeten vinden. Hij waarschuwt van tevoren dat vooral de papegaai heel lastig te vinden is. De laatste twee keer heeft hij hem niet gezien, maar voor hetzelfde geld zit hij op de parkeerplaats. We zijn nog maar net uitgestapt of een van de groepsleden – uiteraard de Belg van Natuurpunt – ziet iets overvliegen en roept: ‘Daar zit hij’. Rosella (de papegaai) is zo vriendelijk om te wachten tot heel de groep hem goed heeft kunnen zien. Hij vermaakt zich in de tussentijd met door de boom klimmen. Ook de andere vogel verschijnt binnen vijf minuten en gaat vrij op een kale tak zitten. Zo kan ik zelfs de vogels vinden.
Na deze coöperatieve vogels verlaten we echt Kakadu om door te gaan naar Pine Creek, ons volgende overnachtingsadres. We zitten daar in een ontzettend Amerikaanse tent waar het gigantisch druk, totaal ongeorganiseerd en behoorlijk luidruchtig is. Daar zijn we al bijtijds, zodat de kamers nog niet klaar zijn. We besluiten een lunch te bestellen, maar in plaats van een tosti of iets anders kleins bestaat ook de lunch hier uit een complete maaltijd. Sommigen delen een pizza, Rik bestelt wedges, ik kies kwarktaart, bij gebrek aan iets anders van bescheiden formaat. Het opnemen en serveren van de lunch duurt zo lang dat we maar rond het terrein leuke vogels gaan kijken en pas na ruim anderhalf uur komen een voor een de gerechten. Het portie wedges dat Rik besteld heeft, zou niet misstaan als schaal bij een diner van acht personen, zo groot is de bak. Zelfs met de hele groep krijgen we de schaal niet leeg. Grote porties zijn kenmerkend voor hier. Slaan in Nederland restaurants vaak door in verfijning en exclusiviteit, hier gaan ze voor de vette, grote fast-food hap en extreem grote porties vlees. Vegetarische gerechten bestaan eigenlijk niet. Ook de voor ons onaantrekkelijke salades bestaan uit grote schalen groenvoer met altijd kip, bacon of garnalen en teveel saus.

Green Jewel Bug bij Pine Creek
Na de verlate lunch gaan we in de buurt nog wat rondkijken. In de bomen vlakbij huizen grote kolonies vleerhonden die tegen donker uitvliegen. De bomen hangen er werkelijk vol mee. De grote vleerhonden hebben schattige hondenkopjes en zo te horen hebben ze elkaar ook heel wat te vertellen. Ook aan vogels vinden we weer genoeg. Een van de papegaaitjes die we hier zien, houdt van luxe en kiest voor een brandveilig nest met airco. Hij is zo slim om zijn nestje in lege termietenheuvels te maken. De doordacht aangelegde luchtkanalen zorgen voor luchtcirculatie en hij nestelt zo diep in de termietenheuvel dat hij bosbranden kan overleven. Dat zien we allemaal niet, wel zijn fraaie uiterlijk. Er is wel een ander nest. Dat is van een prieelvogel. Om indruk te maken om de dames heeft meneer prieelvogel een terras van witte steentjes gemaakt en van takjes een 50-60 cm hoog tuinhuisje gebouwd. Ernaast staat een oud vervallen nestje. Zoveel werk om te maken.

Zwarte vleerhond bij Pine Creek
Van Pine Creek naar Victoria River
Na een nachtje in Pine Creek vertrekken we al bijtijds om op tijd bij de Edith Falls te zijn. Bij de poeltjes daar komen vinkjes ‘s morgens vroeg water drinken. De wensvogel is hier een kleurige vink die maar op heel weinig plekken te vinden is en waarvoor dit de beste plek is (voor de liefhebbers: de Gouldian finch die in het Nederlands gouldamadine heet, dus dat zegt ook niets). Het is een prachtig gebied met net als overal droge boomrijke savannebegroeiing. Bij het water is wat meer groen. De supervogelaar van de groep vindt al snel het wensvogeltje, niet drinkend bij het poeltje, maar heel ver weg. Andere vogels laten zich beter zien. In de boom zitten twee uiterst kleurige papegaaitjes te snoepen van de boom. Later bij het water komt iedereen aanvliegen om te drinken, behalve de wensvink van de vogelaars. Na twee uur kijken en wachten gaan we zelf een ontbijt zoeken. Het serveren daarvan neemt heel wat tijd in beslag.
We hebben een redelijk lange rit voor de boeg naar de Victoria River regio. Onderweg maken we nog een vogelstop. We zien best wat, maar nadeel is dat we er op het heetst van de dag zijn. Met temperaturen die hier oplopen tot 40 graden en weinig tot geen schaduw niet een echt goed plan. Eerlijk gezegd ben ik erg blij als we weer terug naar de bus gaan.
Na aankomst in Gregory gaan we na een korte pauze in het nabijgelegen park op zoek naar een klein vogeltje (voor liefhebbers het purperkruinelfje) met een paars kapje en een enorme knalblauwe staart. Eigenlijk geven we onszelf niet veel kans om het kleine, beweeglijke vogeltje in de dichte, droge en hoge grasachtige begroeiing te vinden. Daar zijn we te weinig vogelaar voor. Maar kennelijk vindt elfje ook zelf dat hij mooi is. Eerst zit hij op een vrij takje en later toch zichtbaar in het gras, samen met vrouwlief die wat lager zit en een kleiner paars kapje heeft. Andere verrassing is de zwarte kaketoe die we wel al vliegend hebben gezien, maar niet in de boom. Hier zit hij helemaal in de top vriendelijk voor zich uit te brabbelen, terwijl hij af en toe zijn veren poetst en zijn kraag op zet. Na een kwartiertje vliegt hij naar beneden om water te drinken en aan takjes te knabbelen.

Red-tailed Black Cockatoo bij Victoria River
Soms hoeven we geen enkele moeite te doen om vogels te zien. Als we onze hotelkamer uitstappen is voor de deur de grijze prieelvogel druk bezig met zijn prieeltje. Hij vliegt af en aan, loopt zijn huisje in en uit om takjes te herschikken en vlecht nieuwe takjes in zijn huisje. Terecht want de wanden van het huisje buigen aan de bovenkant al naar binnen, maar het huis is nog niet af. Het dak moet nog gevlochten worden. Zo leuk om hem zo aan het werk te zien. Hij trekt zich niets van de hotelgasten aan, teveel werk te doen.
Ook bij de Victoria River blijven we maar een nachtje. We starten al als het donker is, omdat we een wandeling naar een hoger gelegen plateau gaan maken en dus flink moeten klimmen. Als het eenmaal warm is, doe je dat niet meer voor je plezier. We zijn zo vroeg dat het zelfs nog te donker is en er volop sterren staan. Venus, Jupiter en Saturnus zijn alle drie te zien. Door de telescoop kunnen we zelfs iets van de ringen om Saturnus en manen rondom Jupiter zien. Natuurlijk zijn bij deze reis de vogels hoofddoel, maar we zijn gewaarschuwd, ze zijn moeilijk te vinden. Maar zelfs als we geen vogels zien, is de wandeling de moeite waard. Het landschap is zo mooi en het is altijd fijn om echt de tijd te hebben om er doorheen te lopen en ervan te genieten. We stoppen geregeld en zijn na een uur boven. Voordat jullie denken dat we verschrikkelijk knappe prestaties leveren: de klimwandeling heen en terug is drie km, niet echt een indrukwekkende afstand, maar zelfs ‘s morgens vroeg al een tocht waar je het heel warm van krijgt. De duif geeft niet thuis.
Timber Creek
Na de mooie wandeling keren we terug naar de pleisterplaats voor een ontbijt en daarna gaan we op weg naar onze volgende bestemming: Timber Creek. Timber Creek is een gehucht en de meest westelijke plaats die we hier in het noorden aandoen. Onderweg maken we zoals altijd een vogelstop. In een boom met fraaie rode bloemen zitten wel drie verschillende soorten honingeters. Zonder ergens bebouwing of menselijke activiteit te zien rijden we door het boomrijke, droge savanne landschap. Veel stukken hier zien er verbrand uit als gevolg van de droogte en de hitte hier. Nu al loopt de temperatuur op tot 40 graden, maar het wordt nog warmer. Daarna komt het regenseizoen, is de temperatuur nog steeds heel hoog, maar maakt de vochtigheid alles nog erger. Om de branden een beetje in de hand te houden, worden er vaak vroeg in het droge seizoen gecontroleerd stukken afgebrand. Daarnaast ontstaan er ook ongecontroleerde branden. Waar wij naar de vogels kijken is ook brand geweest en we komen allemaal met houtskoolstrepen op onze kleren uit het bos. Mooi is dat je bij de verbrande pollen, overal weer verse groene blaadjes ziet ontluiken.
Ander fenomeen dat hier opvalt in het landschap zijn de baobabbomen. Dachten wij dat je die alleen in Afrika vond, hier zie je ze ook volop staan. Van de acht soorten baobabs die er zijn, komen er 6 alleen op Madagaskar voor, een op het vasteland van Afrika en een in Australië. Het is dus echt een soort die hier hoort. Hij komt alleen in Kimberley en de westelijke Victoria Regio van de Northern Territory voor. Verbazingwekkend om hier opeens baobab – hier baob genoemd – te vinden.

Baobabs in Northern Territory
We zijn al vroeg in Timber Creek, net zo’n pleisterplaats als gisteren met een grote camping, nog wat kleinere kamertjes dan gisteren, een restaurant, winkel, bar en benzinepomp. Humor hebben ze wel, het tankstation adverteert met een groot bord dat het de goedkoopste pomp van het dorp is. We kunnen gelijk op de kamer, wat wel fijn is. De kamers hier zijn een soort containers met ramen. Simpel, maar doeltreffend. In de kamer staan een bed, een tafel of soms een aanrecht met kookgelegenheid en altijd een koelkast. Verder is er een kleine badkamer en gelukkig altijd airco wat hier hard nodig is.
Eenmaal op de kamer blijkt er een ramp gebeurd te zijn. Mijn zonnepetje dat ik na de laatste stop zeker nog op had, is weg. Zonder zonnepetje kan ik niet. Hij ligt ook niet meer in de bus. Enige mogelijkheid is dat ik hem in de winkel van Timber Creek of bij het uitstappen verloren ben, dus ik ren – zonder petje – terug naar de winkel. Daar is geen petje gevonden. Ook buiten op straat, geen petje. Rik gaat voor de zekerheid ook nog even zoeken. In een helder moment bedenk ik dat een van de reisgenoten – een wat naïeve, kinderlijke vrouw die wel vaker zomaar wat doet, maar verder altijd vrolijk is – exact hetzelfde petje heeft, maar zonder koordje met klemmetje om het petje voor wegwaaien te behoeden. Ik ga het haar vragen en nadat ik uitgelegd heb dat ik geen reservepetje van haar wil, maar wil weten of zij soms mijn petje heeft, blijkt zij er nu twee te hebben. Ze was al verbaasd dat er opeens een koordje aan zat… Maar goed, de paniek om het verloren petje is over nu hij weer terecht is. Natuurlijk hebben we reserve, maar deze is fijn, dus ik ben er heel zuinig op.
Na een pauze op het allerheetst van de dag gaan we om drie uur nog wat plekken bezoeken om vogels te kijken. Of het helpt om de ergste hitte te ontlopen? Niet echt. Om zes uur is het nog steeds 40 graden en zonnig. Het is maar goed dat er nog mooie vogeltjes zijn, anders zou je je afvragen wat je bezield om in die hitte buiten te zijn. Na het eten gaan we in en om het terrein nog op zoek naar een uil. Na flink zoeken vinden we in een hoge boom een schitterende, grote blafuil. Na de uil – het is dan inmiddels kwart voor tien – gaan ze met het busje nog nachtzwaluwen zoeken. Daarna moet dan de vogellijst nog bijgewerkt worden voor de dag. Na de lange dag slaan wij de nachtzwaluw over, de dag was lang genoeg voor ons.
Ons piepkleine containerhokje verlaten we na een nacht. Voor vertrek en ontbijt kijken we eerst nog even bij de vleerhonden en dan gaan we naar een klein riviertje waar vinkjes in alle vroegte horen te komen drinken. Hier is het echt feest. We hoeven alleen maar te blijven staan en te kijken, alle vogels komen vanzelf langs. Verschillende soorten vinkjes, maar ook meerdere soorten honingeters komen langs om te drinken. Later gaan ze lekker spetterend in bad in het poeltje. Je komt ogen tekort hier, geweldig. Winnaar van vandaag is de Gouldian Finch (gouldamadine) die in een kleurdoos lijkt te zijn gevallen met zijn rode kop, groenblauwe nek met ertussen een zwart ringetje en keeltje. Dat is nog lang niet alles. Zijn buik is knalgeel, de rug groen en het geheel wordt afgesloten met een turquoise stuit. Bij de Edith Falls zagen we ze heel ver, hoog in een boom, deze tellen echt.
Terug naar Katherine
Vandaag rijden we vanuit Timber Creek in het uiterste westen van de provincie Northern Territory weer terug naar Katherine waar we een paar dagen geleden ontbeten hebben en boodschappen hebben gedaan voordat we de Outback ingingen. We stoppen nog even bij Victoria River – de eerste en enige bewoning sinds we Timber Creek verlaten hebben – om vergeten sleutels in te leveren en koffie te drinken. Het enige wat we onderweg naar Katherine nog zien, is een parkeerplaats met prullenbakken en veel later een toiletblok met watertappunt. Op de damestoiletten hangt een bordje dat je uit moet kijken voor een uiterst giftige slang die bij de achterwand woont. We zijn op onze hoede tijdens het plassen. Onder de waterkraan staat een bakje water. Vogels maken er dankbaar gebruik van om ook een slokje te drinken. Bij Victoria River kenden ze dat trucje ook, er zaten wel zeven kleurige papegaaitjes op de kraan daar.
We zijn om vier uur in Katherine waar we weer een heerlijke ruime kamer hebben met goede airco. Weliswaar zitten we er niet lang, want na een uurtje gaan we nog vogels kijken. De opbrengst is een nieuw soort ijsvogel en een groep van wel honderd roze papegaaien die genoeglijk samen op de grond zitten te eten.
Onze groep is goed, maar soms gebeuren er dingen die je liever anders zou willen. Als je graag vogels kijkt, vind je ze vast mooi en wil je zuinig op ze zijn. Gisteren tijdens de avondexcursie scheen Martin met rood licht op de uil, omdat hij daar geen last van heeft. Zo hoort het. De man van het te fanatieke vogelechtpaar heeft echter ook een felle nachtlamp en schijnt vol op de uil. Hij zegt dat hij schrok van het rode licht, want dan kan je geen foto maken. Nou en. Iets vergelijkbaars gebeurde gisteren toen we een vogel prachtig zagen nadat hij met een alarmroep gelokt was. Prima om het een keer te doen, maar om nog mooiere foto’s te krijgen, werd de alarmroep alsmaar afgespeeld. De vogels waren duidelijk ongerust en bleven maar heen en weer vliegen. Dat moet je niet doen, het is voor hun ook 40 graden en je hoort ze niet zolang stress te bezorgen. Martin had de Nederlandse reisleider al een paar keer gemaand te stoppen vanwege de stress voor de vogels. Dat wist ik niet. Maar toen ik het te bar vond, heb ik gezegd dat hij moest stoppen. Gelukkig zette hij hem toen uit. Verder lopen de fanatieke fotografen altijd net zo dichtbij dat de vogels uiteindelijk opvliegen, terwijl ze toch al toeters van telelenzen hebben. Soms worden ze gecorrigeerd, maar vaak niet. Vogels kijken is leuk. Vogels verstoren hoort niet.
Terug naar Darwin
In Katherine beginnen we de dag om zes uur zomaar met een ontbijt. Daarna gaan we op zoek naar een schuwe kwartel die niet gezien wil worden en zich verschuilt in het hoge gras. Alleen als hij opvliegt zie je een razendsnelle flits waaraan je alleen ziet dat het een vogel is. De apostelvogel – die vaak in groepjes van (ongeveer) twaalf vliegt en daaraan zijn naam dankt – is wat dat betreft een stuk makkelijker en laat zich rustig bekijken.
We laten Katherine achter ons en hebben een lange rit van 350 km voor de boeg naar Darwin. Onderweg stoppen we voor toilet en lunch. Om de zoveel km zijn hier parkeerplekken met toiletten, een watertappunt en de onvermijdelijke barbecue. Voor vogels zijn die watertappunten waar altijd wel wat water lekt ook erg fijn en je ziet er altijd wel vogels die hier ook water komen tappen.
Na aankomst in Darwin gaan we eerst even kijken bij Buffalo Creek waar we bij de start van de reis zijn geweest en de mangrove. In de mangrove zoeken we een moeilijke vogel en daarvoor moeten we de mangrove doorsteken richting kust. Martin waarschuwt dat het glad is en dat is niet overdreven. Over de glibberige en natte bodem lopen we stapje voor stapje voorzichtig verder, dankbaar gebruik makend van de mangrove takken en wortels. Je wilt echt niet in de vieze blubber vallen. Het had allemaal niet gehoeven, want vogel laat zich niet zien. Op het pad zien de eerste twee nog wel een ander bijzonder vogeltje, maar op het smalle paadje zien wij alleen maar hoofden met zonnepetjes. Ook de glibberige terugweg verloopt zonder val- of uitglijpartijen.

Mangrove bij Darwin
Als laatste onderdeel gaan we naar de botanische tuin, maar door de mangrovetocht is het al erg laat, we zijn er pas om half zes. Ga nooit met vogelaars naar een botanische tuin, het is niet aan ze besteed. Het is een prachtige tuin, maar wij lopen in gestrekte draf naar het andere eind van de tuin om een uil te zoeken en zien niets om ons heen. Uilen zijn doorgaans moeilijk te vinden en Martin belt met een collega die hem vandaag gezien heeft en uitlegt waar hij zit. Maar, zoals altijd spot de Belg van Natuurpunt hem als eerste. Het is een fraai en groot uilskuiken van 4-5 maanden. Hij zit met een geweldig wit kopje met donkere ogen naar ons te kijken en spreidt zijn vleugels helemaal uit. Tijd voor iets anders in de botanische tuin is er niet meer, de dag is voorbij en het wordt al aardig donker.
We hebben maar een korte nacht, want vanwege de vlucht om 6.15 naar Cairns, moeten we om kwart over vier klaar staan voor vertrek uit het hotel. De vlucht verloopt zonder incidenten en we hebben nog aardig wat van de dag over, alhoewel ze er in Cairns weer een half uurtje van inslikken. Het tijdsverschil met Nederland is nu 8 uur. Wat we bij Cairns en omgeving doen, bewaar ik voor de volgende brief, want deze is al veel te lang geworden.