Madagaskar 2022 > rondzendbrieven > brief 3: Ankarafantsika, Masoala
Derde rondzendbrief Madagaskar 2022

Derde rondzendbrief Madagaskar 2022

[Verzonden op 16-10-2022 vanuit Maroantsetra]

Ankarafantsika

De tweede brief ben ik gestopt bij onze aankomst in Ankarafantsika, dus hoog tijd om nu verder te gaan met onze wederwaardigheden in dat park. Omdat dit park bekend is om zijn vogelrijkdom hebben we hier de luxe van een eigen vogelgids, Heritiana, kortweg Tina. Tina is niet alleen onze vogelgids, hij is onze persoonlijke verzorger. We worden meteen naar onze bungalow gebracht, een fijn huisje met ruim terras met picknicktafel en uitzicht op de hoge bomen aan het meer. Een fijne plek voor de komende dagen. Nadat we geïnstalleerd zijn nemen we met Tina het programma voor de eerste dag door en dat klinkt gelijk prima. Vandaag maken we nog een klein rondje en zien we al de eerste vogels. Heerlijk om nog even wat leuks te doen na zo’n lange, hete dag in de auto. We hebben echt geluk, want al na een kwartiertje zien we vlakbij en laag in de bomen de Coquerels sifaka’s. Ze zijn een heel stuk kleiner dan de eerdere sifaka’s die we gezien hebben, maar ze zijn schitterend. Ze hebben een lichte buik en rug, een zwart-wit koppie en wat ze echt bijzonder maakt zijn de bruine bovenarmen en benen. Als ze in de boom zitten, lijkt het alsof ze een korte broek dragen. Ze klimmen en springen door de bomen en genieten van al het lekkers dat de bomen hun bieden.p> Tina vertelt dat de maaltijd om 7 uur niet in het restaurant, maar bij de bungalow wordt geserveerd, dus na het leuke ommetje, installeren we ons in afwachting van wat er komen gaat op ons terras. Om kwart voor acht is het zover. Tina sjouwt samen met iemand anders een grote mand ons terras op. De tafel wordt met een kleedje gedekt en uit de tas komen kommen, borden, bestek, een beste pan soep, een grote pan pasta, een kommetje met saus voor over de pasta en ananas voor toe. De cola en thee zijn helaas niet gelukt, want het eten kostte al zoveel tijd en het drinken konden ze niet vinden. Best, dan nemen we wel water. Alles wordt weer netjes afgeruimd en niet lang daarna is het voor ons hoogste bedtijd.

Sikkelvanga in Ankarafantsika

Sikkelvanga in Ankarafantsika

Het Nationaal park Ankarafantsika is een beschermd natuurgebied van 1350 km2 op een hoogte van 250 m. Oorspronkelijk waren er twee parken, elk aan een zijde van de Route Nationale 4 voordat ze officieel samengevoegd werden in 2002. In het park zijn vijf rivieren en een aantal meren die een toevluchtsoord vormen voor vissen, krokodillen en watervogels. Het landschap van het zanderig massief is heel afwisselend en omvat verschillende bostypen, savanne, struiken en een soort maanlandschap dat ontstaan is door erosie. De naam Ankarafantsika komt van Garafantsy, wat ‘berg van doornen’ betekent en ook de benaming is van een sluwe, enge man. De bossen van Ankarafantsika waren in het verleden synoniem voor mysterie en terreur omdat een bandiet genaamd Ravelobe er woonde, die reizigers overviel. De Sakalava, grotendeels bestaande uit boeren, wonen in de 114 dorpen in het park. De bosgebieden zijn (officieel) beschermd, in de rest van het park mogen de bewoners – die er al langer wonen dan het park bestaat – gewoon hun ding doen, maar we begrijpen dat ze wel een soort contract hebben, waardoor ze zich aan bepaalde regels moeten houden. De fauna en vegetatie zijn kenmerkend voor een zanderig massief en herbergen een aantal lokale endemische (alleen hier voorkomende) soorten. Zo is het park het leefgebied van een achttal soorten lemuren, heel veel vogels en een gevarieerde plantenwereld. De helft van de toegangsprijs voor het park komt ten goede aan de lokale bevolking om microprojecten – constructie van bronnen, dammen en een school, herbebossing, bijenhouderij – te financieren en zo de bevolking te ondersteunen. Langs de weg staan ook talloze kraampjes die honing aanbieden.

Dag 1 in Ankarafantsika

De wekker gaat vroeg, om half zes moeten we paraat staan voor de vroege vogeltocht op zoek naar bijzondere vogels. Wij zijn natuurlijk helemaal geen echte vogelaars en vinden alles leuk om te zien, maar voor Tina is het een persoonlijke eer om de soorten die alleen in dit park voorkomen en vaak moeilijk te spotten zijn, voor ons op te sporen. En dan te bedenken dat de arme stakker ook nog twee sukkels mee heeft die als hij zo’n zeldzaamheid vindt die ook nog eens nooit zien totdat hij wegvliegt. We hebben Tina gisteren maar meteen verteld dat hij niet teveel van ons moet verwachten. Dankzij Tina zien we heel erg veel. Ze hebben lang niet allemaal geduld met ons of zin in een foto, maar we zien echt veel. Maar, de Schlegels asiti, een propperig vogeltje die een klodder groene en blauwe verf over zijn hoofd lijkt te hebben gehad, missen we. Heel hoog is een silhouet te zien dat willekeurig welk vogeltje kan zijn. Tina besluit meteen dat we morgen een herkansing krijgen.

Bij terugkomst wacht ons een ontbijt en daarna gaan we opnieuw op pad. Nu lopen we in droger bos. Alles is hier droog, maar vanmorgen waren we in een soort oeverbos waar meer water beschikbaar is en dikkere bomen zijn, nu zijn we in het zandige bos, waar zo weinig water is, dat de bomen er erg dun zijn. Ook hier speurt Tina overal vogels voor ons op. Een van de vogels die we van Tina moeten zien – de roestkopcoua – is een schuwe vogel die altijd tussen de struiken en dode blaadjes over de grond scharrelt en nooit lang stilzit. Tenzij… Tina speurt en speurt en wijst een paar keer vergeefs iets aan wat al lang weg is als wij op de goede plaats kijken, maar dan opeens kunnen ook wij ze niet missen. Maar liefst twee vogels aan de zijkant van het pad die even helemaal geen oog voor de rest van de wereld hebben. Ze zitten namelijk niet naast elkaar, maar het mannetje is druk bezig om het vrouwtje te dekken. Tja, wie let er dan nog op fototoestellen en verrekijkers. Behalve de sifaka’s vinden we vandaag nog een wollemuur die lekker zit te suffen tot het vanavond weer tijd is om op pad te gaan.

‘s Middags maken we een tochtje over het grote Ravelobe meer, een heilig meer voor de Sakalava, omdat er een koning begraven ligt en het dus zijn tombe is. Vissen met een net mag daarom niet, met een hengel wel. Ook mag je geen varkens mee het park innemen, Geeft niet, waren we toch al niet van plan. Het boottochtje biedt tijdens de extreme hitte een beetje welkome verkoeling en we zien voor het eerst in Madagaskar weer massa’s watervogels, vooral reigerachtigen, maar ook een ijsvogeltje. Na de boot stappen we in de auto en rijden een stukje naar het ‘baobab circuit’. Via de rijstvelden komen we bij een hangbrug en vandaar leidt een paadje naar twee gigantische baobabbomen van 500 jaar oud en 37 m hoog. Het zijn de twee laatste van hun soort. Voor het ontkiemen van het zaad is hulp van een dier nodig, maar dat is inmiddels uitgestorven. Welk dier het precies was, weten ze niet. Er worden wel pogingen gedaan om toch nieuwe exemplaren te laten ontkiemen en op te kweken, maar we krijgen de indruk dat dat nog niet erg succesvol verloopt.

Terug van de baobabs moeten we weer het paadje langs de rijstvelden af, langs een zeboe die er op de heenweg ook al stond en waar we gewoon langs gelopen zijn. Koeien zijn doorgaans bang voor mensen. Maar nu moeten we van Tina wachten. Hij gaat de eigenaar vragen om de zeboe te verplaatsen, want hij is gevaarlijk. Dat blijkt als de eigenaar hem benadert. De zeboe springt als een dolle rond, raakt verstrikt in het touw waarmee hij vaststaat, valt bijna en ontglipt de eigenaar en gaat er in een kletterende galop vandoor. De eigenaar rent er achteraan en weet uiteindelijk zijn lange touw te pakken, waarna hij in volle vaart wordt meegesleurd. Even later stopt de zeboe en begint als een dolle te bokken als de eigenaar dichterbij komt. Als hij weer een beetje rustig is en de man hem mee probeert te nemen, weigert hij een poot te verzetten en nu sleept de man met zichtbare meer moeite dan de zeboe had, de koe achter zich aan. Wat wij ingeschat hadden als een jonge stier, blijkt een volwassen koe te zijn. Een tante met karakter. Wij bereiken veilig de auto.

Wij zijn allebei goede slapers en slapen is een van de weinige dingen waar ik echt goed in ben. Maar vanavond moet ik op dit gebied mijn meerdere erkennen in de vetstaartkatmaki. Tijdens de avondwandeling met Tina speuren we weer in het donker naar oplichtende oogjes. De eerste die we zien is de vetstaartkatmaki die met heldere, wakkere oogjes hoog vanuit de boom op ons neerkijkt. Hij is net wakker, wat voor een nachtdier niet uitzonderlijk is, maar hij is ook net wakker uit zijn winterslaap. In april worden ze steeds minder actief en zoeken een veilige nestplaats op om vervolgens pas in oktober of november weer op te staan. Ze slapen dus zo’n zes tot zeven maanden van het jaar. Het woord winterslaap is ook eigenlijk niet goed, ze slapen om zo het droge seizoen met weinig voedsel door te komen. In november begint hier de regentijd en dan vindt onze vetstaartkatmaki weer volop fruit, bloemen, nectar en insecten waar hij dol op is. Om de lange inactieve periode te overbruggen slaat hij in zijn staart vet op en niet zo’n beetje ook. Als hij net weer wakker is, weegt hij zo’n 120 gram, maar voordat hij in april met zijn dikke staart zijn bed in kruipt, is hij meer dan twee keer zo zwaar en kan wel 275 gram wegen. Het is een zeer succesvolle avond, we zien ook nog twee verschillende soorten muismaki’s. Ze hebben het druk met door de bomen scharrelen op zoek naar lekkere hapjes en zijn koddig om te zien. Na al dit moois eten we nu wel in het restaurant. Het blijkt dat ze na covid nog geen uitbater voor het restaurant hebben. Het eten wordt nu bereid door de vrouwen van de gidsengroep.

Dag 2 in Ankarafantsika

Om half zes gaan we vol energie opnieuw op zoek naar de vogels die we gisteren gemist hebben met bovenaan de lijst de Schlegels asiti. We komen een andere groep van vier mannen op leeftijd tegen, voorzien van kijkers, fototoestellen en eigen en lokale gidsen. Dat kan niet missen, dit zijn echte vogelaars die eveneens op het kleurige vogeltje jagen dat van niets weet en zijn kaken stijf op elkaar houdt. Tina geeft niet op en als het vogeltje na vijf kwartier zich even laat horen, weet hij hem te vinden en krijgt hij hem ook nog zo ver dat hij niet al te ver en goed in het licht zit en dat volhoudt tot we hem gezien en gefotografeerd hebben. Tina waarschuwt de andere gidsen en maakt zo ook de vier Engelse vogelaars gelukkig. De rest van de wandeling kunnen we nu naar andere dingen kijken.

We mogen kiezen of we naar het wetland willen om de jacana (een watervogel met lange poten die over de waterlelies loopt) te zoeken of nog een lemuur willen zien in het bos van gisteren. Omdat een nieuw gebied altijd wel leuk is, kiezen we voor het wetland. Een foute keus. Gisteren was het wetland 8-9 km hier vandaan, als we instappen wordt dat bijgesteld naar 30-40 minuten rijden en in praktijk rijden we een klein uur om bij een waterpoel met waterhyacint en waterlelies te komen, die voor verderop gelegen rijstvelden ligt. Tina speurt en ja hoor, heel ver weg loopt de jacana over de waterlelies. Wij turen en turen, maar zien niets. Tina speelt het geluid van de vogel af en bijna direct komt de jacana hoopvol aangevlogen. Is er dan toch eindelijk nog iemand in zijn poel opgedoken? Maar nee, als hij kijkt ziet hij weer helemaal niemand. Hij pikt wat lekkere insecten van de waterleliebladen op en vliegt na deze snacks weer terug naar achteren. Wij rijden na deze ontmoeting – er is geen enkele andere vogel te bekennen – weer terug naar het park.

Op de terugweg zien we rookwolken. Daar kijken we hier al niet meer van op, want er brandt heel vaak ergens iets. Maar ‘s middags horen we dat de brand in het bos in het park is. Je kan de brandlucht ruiken. Alle gidsen, samen met heel veel mannen en vrouwen uit het dorp, zijn nu de berg op om het vuur te doven. Na een poos keert Tina terug. Hun ploeg is afgewisseld door een andere ploeg. Tina vertelt dat er twee brandhaarden zijn. Op de eerste plek waar hij was, is het vuur nu onder controle, maar de andere brand is groter en wordt nog met man en macht bestreden.

Brandbestrijder in Ankarafantsika
De brandbestrijding loopt hier zo goed georganiseerd. Speciaal getrainde parkwachters coördineren de zaak en heel het dorp – vooral de jonge mannen – helpt bij het blussen. We zien een busje vol aankomen met bijlen, scheppen, maar ook met tanks met een spuitstuk waarmee ze de berg op snellen om zo in steeds wisselende ploegen het vuur meester te worden. Het is duidelijk dat iedereen zijn taak weet en gelijk doet wat verwacht wordt. Maar we zien op Tina’s telefoon hoe angstaanjagend hoog de vlammen zijn en met de wind, de hitte en de droogte is doven niet gemakkelijk. Ze doen dat hier door met een tak met verse blaadjes het vuur uit te slaan. Als het niet lukt gaan ze vannacht als het koeler is en de wind weg is opnieuw met heel veel mensen naar boven. Er wordt voor iedereen eten en drinken klaar gemaakt en om tien uur gaan ze dan voor de hele nacht naar boven. Tina heeft het al vaker meegemaakt en hij verzekert ons dat ze vannacht de brand uit krijgen. De volgende morgen zien we de mannen om tegen zessen vies en vermoeid terugkeren, maar de lucht is weer helder, er is geen rook meer te zien en de brandlucht is weg. Dat kan alleen doordat ze zo ontzettend adequaat handelen hier. De dieren zijn weer voor even veilig in hun bos.

Later op de middag gaan we nog met Tina het bos in. Heel hoog in de boom zien we drie koppies die we nooit gevonden hadden zonder aanwijzen. Het zijn mongozmaki’s, eigenlijk dagdieren, maar nu in de droge tijd van het jaar met veel voedselconcurrentie van de bruine lemuur – die we later ook nog zien – kiezen de mongozmaki’s ervoor om maar ‘s avonds op pad te gaan. Het gaat niet goed met ze ook al zijn ze zich daar zelf niet van bewust. Hier leven maar twee families. Zes uur rijden verderop in een privébos leven vijf of zes families. Met zulke aantallen kan een soort nauwelijks voortbestaan.

Lange rit terug naar Tana

Lokale slager onderweg naar Tana

Lokale slager onderweg naar Tana

Vanuit Ankarafantsika wacht ons een lange rijdag helemaal terug naar Tana, een afstand van 450 km. We vertrekken dan ook al om half zeven. Vanuit het park rijden we eerst terug naar de Route National en slaan dan af richting Tana. De weg is vandaag een stuk beter dan we gewend zijn, al zitten er ook nu stukken bij die we stapvoets moeten doen. Na een paar uur rijden beginnen we te klimmen en heel geleidelijk aan klimmen we tot een hoogte van 1.500 m. Voordeel daarvan is dat de temperatuur een heel stuk aangenamer is en de wind zowaar fris aanvoelt. Heerlijk. Kunnen we normaal van een bergrit genieten, hier is niets moois aan de bergen. Overal om ons heen is het zwart van het branden, de naaldbomen zijn op veel plekken dood en verbrand en op de bergen staat hooguit wat kort droog gras. We doen ons best, maar het landschap is niet mooi: dor, droog, verbrand en geërodeerd. We zakken iets in hoogte, want Tana ligt op 1.000 m waardoor de temperatuur ook daar aangenaam is. We worden na een rit van ruim tien uur warm welkom geheten terug in ons aardige guesthouse in Tana. Helaas is het nu tijd om afscheid te nemen van de aardige en altijd behulpzame Christian. Met alle perikelen in het begin hadden we het echt getroffen met hem.

Bij het ontbijt in Tana ontmoeten we de eerste andere Nederlander. Hij komt uit D. en is geen reiziger maar hier voor werk. Vandaag gaat hij een cursus leiderschap geven voor een groep mensen. We praten wat door en hij blijkt voor de zending te werken. Gisteren heeft hij aan een groep mensen die niet konden lezen en schrijven verteld over het evangelie. Ik flap er meteen uit dat hij ze beter kan leren lezen en rekenen, want dat ze daar meer aan hebben. Vrij tactloos, maar wel waar. Hij zegt dat ze daardoor vanzelf gaan lezen. Hij heeft over de hele wereld gereisd en niet alleen over het evangelie verteld, maar ook over hygiëne, geholpen met waterputten en met scholing. Al gauw volgen de anekdotes over wat hij allemaal niet op zijn reizen heeft meegemaakt. Het is zo’n verjaardagsoom die op elke verjaardag met verhalen komt over hoe primitief het allemaal wel niet was, wat voor goeds hij heeft gedaan en wat hij allemaal heeft meegemaakt. Hij denkt zijn gehoor te boeien, maar vindt zelf de verhalen een stuk interessanter dan het overige verjaardagsbezoek. Als wij vertrekken naar de luchthaven stromen de leiderschapscursisten in groten getale binnen.

Lokale vlucht

Op de luchthaven van Tana gaat het deze keer een stuk soepeler dan bij de vlucht naar Diego. De dagrugzakjes worden niet gewogen, er worden geen tassen doorzocht en ze zijn gewoon vriendelijk. We hopen maar dat het komt omdat er deze keer geen overheidsfunctionaris meekijkt en daardoor de bagage ook allemaal mee mag. Onze vlucht naar Maroantsera, helemaal in het noordoosten van Madagaskar vertrekt ongeveer op tijd en na vijf kwartier zijn we op onze bestemming. Vandaag blijven we in Maroantsera, de uitvalsbasis voor Masoala National Park waar we de komende dagen heengaan. Om daar te komen moet je met de boot en dat kan alleen ‘s morgens vroeg omdat anders de zee te ruw is.

De luchthaven van Maroantsera is een geval apart. De aankomst- en vertrekhal is niet meer dan een betonnen hok met grote gaten in het plafond en scheuren in de muur. We hebben alle tijd om dat vast te stellen, want zelf als na een half uur het vliegtuig vol nieuwe passagiers en bagage is opgestegen, is er nog geen spoor van onze bagage. Na het debacle in Diego zijn we nu toch wat minder gerust en het wachten duurt dan ook meer dan lang. Uiteindelijk wordt na veertig minuten de eerste kar binnen gerold, niet veel later gevolgd door de tweede. Een bagageband heeft het vliegveld niet, wel een soort stenen bagageband waar je heel goed de bagage op kunt laden. Maar dat gebeurt niet en voorlopig zijn we nog niet klaar, ook niet nu de bagage er is. Twee mannen pakken alsof het Sinterklaasavond is om beurten een koffer of tas van een van de twee karren, lezen het nummer van de bagagelabel en roepen dat met luide stem in het Frans om. De rechtmatige eigenaar moet zijn reçu inleveren en na zorgvuldige controle wordt de bagage overgedragen. Heel wat bingonummers komen voorbij, maar van onze bagage nog geen spoor. Eindelijk zie ik onder een tas met wieltjes iets dat van ons zou kunnen zijn. Als de wieltjes weg zijn, zijn we zeker. Een rugzak heeft het gehaald. De andere zou eronder kunnen liggen, maar dat kunnen we pas zien als de eerste gepakt is. Na eindeloos wachten wordt de eerste rugzak gepakt en ja hoor, zijn maatje ligt eronder, waar we ook weer lang (on)geduldig op moeten wachten. De bagage-afhandeling duurt net zo lang als onze vlucht, maar uiteindelijk verlaten we als gelukkige mensen met twee gelukkige rugzakken het vliegveld.

Naar Masoala

Al bij het landen zagen we vanuit het vliegtuig dat het hier veel groener is dan tot nu toe. Bos, grasland en groene rijstvelden. Een verademing na alle dorre droogte en zwartgeblakerde grond. Onderweg naar het hotel zien we kleurig bloeiende bloemen, de huisjes hebben een soort van tuintjes met een hegje of een hek. Het dorp ziet er ook georganiseerder en beter uit dan de dorpen die we tot nu toe gezien hebben en ook als je in de winkeltjes naar binnen kijkt, ziet er er een stuk meer geordend uit. Een weg heeft zelfs een soort groene middenberm, we passeren een plantsoentje en een aandoenlijk beeld met een blauwogig vogeltje. Iemand heeft zijn best gedaan om hier iets van te maken. Ook ons hotel is keurig en beschikt zelfs over werkend internet. ‘s Middags maken we kennis met Olivier, de Franse eigenaar van de lodge op Masoala, en Claudio onze gids voor de komende dagen. We praten over wat we willen zien en doen en het geheel maakt een prima indruk.

Olivier heeft ons op het hart gedrukt dat we echt om zeven uur met de boot moeten vertrekken, omdat dan de zee nog rustig is en we veilig naar Masoala National Park kunnen varen. In onze beschrijving stond al dat de zee ruw kon zijn en de tocht vier uur duurde. Olivier verzekert ons dat we er in twee uur zijn. Uit veiligheidsoverwegingen varen we met twee boten – allebei uitgerust met twee motoren – in konvooi, zodat als er iets met een boot gebeurt, er altijd nog een boot overblijft. We zitten dan ook keurig om vijf voor zeven op het bankje voor het hotel, maar van Claudio, die er om half zeven zou zijn, geen spoor. Hij komt net na zevenen aan en vertelt dat de boot er bijna is, maar moeite heeft om er te komen, vanwege het lage water. Na korte tijd is de boot er en moet er behalve onze bagage nog heel veel andere bagage geladen worden. Als eindelijk alles, inclusief Claudio, Mee (serveerster en manusje van alles in de lodge) en wij aan boord zijn, blijkt de kapitein zoek. Hij moet nog ‘eten’ kopen. Hij komt terug met twee flessen die gevuld zijn met een vloeistof die op dreft lijkt, maar ongetwijfeld niet voor de afwas zijn, maar sterke drank bevatten. Om tegen half acht lukt het dan toch om weg te varen. De zee is rustig en in anderhalf uur zijn ze bij het park. Verbaast het jullie dat we helemaal niets meer van het konvooi van twee schepen gezien hebben?

We blijven hier vier nachten en daar is een uitermate praktische reden voor. Er gaat maar eens in de week een vliegtuig naar Maroantsetra. Aangekomen in Maroantsetra moet je daar wel overnachten, omdat het na aankomst te laat is om over te varen. Ook terug moet je weer een nacht in Maroantseta blijven omdat het anders veel te onzeker is of je de vlucht terug haalt. Zo niet moet je een extra week wachten. Vanaf Masoala gaan we nog een dag naar Nosy Mangabe, een eilandje dichter bij Maroantsetra en de een van de weinige plekken waar je een – minieme – kans hebt om de wonderlijke aye-aye of het spookdiertje te zien tijdens de nachtwandeling, maar daarover later meer.

Over Masoala

Het nationaal park Masoala in Madagaskar is opgericht in 1997 en staat sinds 2007 op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Het ligt op het gelijknamige schiereiland in het noordoosten van Madagaskar. Het is het grootste nationale park van het land en omvat 2.356 km2 landpark, drie mariene parken (100 km2) die belangrijke koraalriffen beschermen en het eiland Nosy Mangabe (ruim 5 km2), een Réserve spéciale. Het is een van de laatste plaatsen waar het regenwoud en de zee in aanraking komen met elkaar. Het reliëf van het park is zeer heuvelachtig en gefragmenteerd. Het park strekt zich uit van zeeniveau tot 1.311 m. Het park wordt beheerd door de ANGAP, de nationale vereniging van parken van Madagaskar.

Er wonen ongeveer 80.000 mensen in de zone rondom het park. Het merendeel van de mensen die er wonen leven van de rijstteelt of de visvangst. Vanille en kruidnagel zijn de twee belangrijkste producten van de streek. Het noordoosten van Madagaskar produceert het grootste gedeelte van de vanille in de wereld. Bij de opzet van het park is ook aan de noden van de lokale bevolking gedacht. Er zijn meerdere projecten opgestart om ervoor te zorgen dat de mensen die in de bufferzone rond het park leven, kunnen overleven zonder het park schade te berokkenen. Ecotoerisme heeft ook positieve gevolgen, de helft van het toegangsgeld gaat naar ontwikkelingsprojecten voor de lokale bevolking.

Masoala, dag 1

Al vanaf de boot hebben we de schitterende berg met aaneengesloten dicht groen regenwoud kunnen aanschouwen en het is hier groener dan groen. We gaan gelijk met Claudio op stap voor een eerste wandeling door een dicht groen woud. We hadden verwacht hier in de stomende, vochtige hitte te lopen, maar integendeel. Natuurlijk is het warm en heb je na vijf minuten een natte rug, maar het is niets in vergelijking met de verzengende hitte in het noordoosten. Overal waar je kijkt groeien varens en andere planten, de bomen zijn dik en zo’n 30-40 m hoog en vormen met hun bladerdek een goede bescherming tegen het zonlicht. Het dichte groene woud zorgt ervoor dat het aardig donker is en dat het moeilijk is om dieren te spotten. Een van de meest bijzondere vogels hier heeft daar iets op gevonden. De helmvanga die een enorme dikke, felblauw gekleurde snavel heeft en kan concurreren met de papegaaiduiker, heeft zijn nestje vlak langs het pad gebouwd en zit onverstoorbaar op zijn eieren. Heel hoog vanuit de boom zien we ook een luie, rode vari op ons neerkijken. Tevreden als een poes ligt hij op een dikke tak lekker loom van het zonnetje te genieten.

Na de lunch en een pauze gaan we om drie uur opnieuw op pad. Deze tocht is minder succesvol. Dat het gebied reliëfrijk is, wisten we, maar vandaag krijgen we daar iets teveel van voor ons kiezen. In de wandeling van 2,5 uur zit geen 100 m die niet steil, stenig en onregelmatig is. Na Riks bekkenbreuk van vorig jaar is hij prima hersteld, maar rug en benen zijn stijver dan vroeger. Zo lang zulk terrein is niet meer plezierig. Na een tijd vraagt Claudio – hem valt heus niets te verwijten – of we nog oké zijn. Nee dus. Natuurlijk lost dat niets op, terug is geen optie na anderhalf uur en verder lopen schat Claudio in op een uur. We zwoegen dus maar samen verder en hebben eigenlijk alleen maar tijd om op het neerzetten van de voeten te letten. Dit gaan we morgen niet meer doen. Het resultaat van ons gezwoeg: een echt bijzondere vogel en een piepklein kikkertje.

Ons onderkomen hier bestaat uit een vriendelijk houten hutje met een twee- en een eenpersoonsbed, een tafeltje, een stoel en een kastje. We hebben geen ramen, maar houten luiken. Als die dicht zijn is het donker binnen, met de luiken open is het schemerig. De badkamer heeft een koude douche, een traag vollopende wc en een wastafel. Voor het huis is een overdekt terrasje met een bankje met uitzicht op het dichte groene bos. Elektriciteit is hier niet, maar wel een generator. Die gaat aan tussen zes en acht (of negen). We zetten dus alles wat opgeladen moet worden al klaar, zodat we de volle tijd voor het opladen kunnen gebruiken. Voor het eten moeten we een stukje naar het restaurant lopen waar Julienne de scepter in de keuken zwaait en Mee al het lekkers van Julienne serveert. Al met al een prima onderkomen. Voor het echte nachtleven moet je hier niet zijn. Stipt om negen uur of eerder stopt de generator en valt er niets anders meer te doen dan naar bed te gaan.

Masoala, dag 2

Na het vroege naar bed gaan, is – na de koude douche – het ontbijt om zes uur geen probleem. Daarna gaan we meteen op zoek naar moois in het bos. In tegenstelling tot gisteren toen het heel stil was, horen we nu volop vogels, alhoewel zien een ander verhaal is. Claudio ziet heel veel en is best goed, maar er is een duidelijk verschil met de echte vogelgids of de gidsen die Christian voor ons had uitgekozen in het noorden. Daar kan een lokale gids natuurlijk niet tegenop. Maar goed, we zien leuke dingen en zelfs een kleine, bruine, inheemse bosrat, die je normaal nooit ziet. Na afloop gaan de gidsen op zoek naar de witkopmaki. Die zit hier, maar heeft zich nog niet laten zien. Na een hele tijd hebben ze ook die gevonden. Opnieuw staren hoog vanuit de boom twee schattige koppies naar beneden. Zij is egaal bruin, hij is donkerder en heeft een charmante witte krans zachte haren rond zijn kop. Als ik makivrouw was zou ik ook vallen voor zo’n mooie harenkrans. Rik heeft een foto gemaakt en pakt zijn andere toestel, maar daar wachten ze niet op. Gelukkig is die ene foto gelijk goed gelukt.

We zitten hier samen met twee andere gasten, Giacommo en Franca. Het zijn Italianen, maar ze hebben veertig jaar in Nigeria gewoond en wonen nu in Namibië, waar ze bij de Caprivistrook een resort hebben. Hun drie zonen hebben zich inmiddels ook in Namibië gevestigd. Ze zijn iets ouder dan wij en om het vriendelijk te zeggen ook iets gezetter. Het steil op en neer wandelen hier is daarom ook voor hun niet te doen. Het zijn aardige mensen en gezellige gesprekspartners. Giacommo heeft een soort constructiebedrijf gehad en onder andere in 1972 de Heineken fabriek in Nigeria gebouwd. Ze kunnen smakelijke verhalen vertellen over alle corruptie en waanzin die ze meegemaakt hebben. Zo kocht Franca een fles White Horse whisky die thee bleek te bevatten. Bij nadere inspectie stond op de dop geen gestanst, maar een geschilderd paard. Voor een natuurpark heeft Giacommo een brug gedoneerd (inclusief Britse bouwers). Die is door stropers in brand gestoken. De Landrover die hij heeft gedoneerd, was binnen een paar dagen ontmanteld. Zijn laatste donatie bestond uit een handvol geweren, die de parkwachters nu inzetten tegen de stropers. Ook geen geweldige oplossing.

Witkopmaki's in Masoala

Witkopmaki's in Masoala

Tijdens de middagwandeling zien we zo veel. De rode vari’s laten zich veel beter zien dan gisteren en komen – wat ze normaal niet doen – zelfs vlakbij ons op de grond. Dan doen ze niet voor ons, maar net boven de grond hangen heerlijk rijpe vijgen, het lievelingseten van de rode vari. Ze kunnen de verleiding niet weerstaan en zitten met open mond de vijgen een voor een op te smakken. Als ze weer vertrekken zijn alle vijgen op. Ook de witkopmaki’s laten zich vanmiddag uitgebreid zien. Als ze vlakbij ons zijn laten ze ook van zich horen. Het harde geluid is eigenlijk niet te omschrijven en houdt het midden tussen grommen, brullen en en snufje aapgeluiden, maar dan nog lijkt het niet op wat we horen.

Het is moeilijk te kiezen wat het mooiste is van vandaag, want bij de nachtwandeling zien we het meest fantastische diertje dat we ooit gezien hebben, de tenrek. Ik had ze – er zijn veel soorten – op plaatjes gezien, maar niet verwacht er ooit een in het echt te zien. Ze zijn ongelofelijk. Begin met een grote muis of een kleine mol. Plak daar de stekeltjes van een egel op en verf die afwisselend gelig en donker. Zet er een heel lange spitse snuit op en kleine blauwe kraaloogjes en laat hem net zo hard rennen als een muisje. Zo, daar heb je onze tenrek. Zo’n diertje zien, is een cadeautje.

Masoala, dag 3

Ook de derde dag in Masoala gaan we vroeg op pad. We gaan nu eerst een stuk over het strand – de lodge ligt niet ver van de zee en het strand – en gaan een ander stuk van het bos in. Ook hier is het weer zo schitterend. Zo heerlijk en vers groen. Vanaf de ondergroei met verschrikkelijk veel soorten varens, tot aan de hoogste kruinen van de dikke bomen, zie je alleen maar overdadig groen. Vandaag hebben we het geluk de Parsons kameleon te zien. Een grote kameleon en volgens Claudio de grootste die er bestaat. Op zijn achterhoofd heeft hij een soort helm en hij lijkt een feestneus op te hebben. Dat is om kleine zoogdiertjes en vogeltjes te misleiden en te laten denken dat het een lekkere bloem is. Zo scharrelt deze misleider een lekker diner bij elkaar. Opnieuw zien de rode vari’s en de witkopmaki’s. De witkopmaki’s zijn bijna een uur lang om ons heen in het bos bezig om dan weer hier, dan weer daar eten te zoeken. Je wordt bijna jaloers op ze als je ziet hoe gemakkelijk ze hoog door de bomen springen. Zonder de minste aarzeling springen ze feilloos vanuit een tak van de ene boom om in de andere boom precies op die tak te landen die ze in gedachten hadden. En wij maar strompelen over de steile stenige paden zoekend naar evenwicht en geholpen door de wandelstok. Een rode maki wil graag anders zijn dan de rest. Heeft elke rode maki een rode rug en zwarte snuit, buik en staart en een geraffineerde witte vlek in zijn nek, deze heeft een witte broek aan. Zijn achterpoten en billen zijn wit, voor de rest zijn de kleuren normaal.

Tenrec in Masoala

Tenrec in Masoala

‘s Middags maken we een makkelijke wandeling en gaan we achter de bungalow langs door het dorpje om te kijken of we vogels kunnen vinden. Die vinden we niet heel veel, maar wel zien we een kameleon, een gekko, een kikkertje en leuke insecten. ‘s Avonds gaan we weer op zoek naar vriend tenrek. En als we eigenlijk al geloven dat hij deze avond geen bezoek ontvangt, zien we hem toch opeens weer met zijn spitse snuitje rennen. Na het avondeten zitten we nog gezellig met Franca en Giacommo te babbelen als we opeens met schrik constateren dat het al kwart voor negen is. We moeten haasten om nog met licht bij het huisje te komen, spullen te ordenen en ons klaar te maken voor het bed, voordat onherroepelijk om negen uur het licht uitgaat.

Masoala, dag 4

Gisteren heeft Joseph, de gids van Franca en Giacommo, ons gevraagd of we de Berniers vanga (officieel zwarte vanga in het Nederlands) al gezien hebben. Dat is een echte zeldzaamheid en die hebben we nog niet gezien. Of we die willen zien? Jazeker. Er is iemand die op een privé terrein buiten het park een nest heeft en als we willen, kunnen we daar morgen heen. We moeten de man wel betalen, omdat het privé terrein buiten het park is. Wijs geworden door de eerste dag informeren we naar de route. Die is makkelijke en over vlak terrein. Er is een maar, we moeten drie rivieren oversteken. Of we slippers hebben. Jazeker, maar daar kunnen we hier niet op wandelen. Meenemen heeft geen zin, dan moeten alsnog de schoenen en sokken uit en aan. Ze zullen een handdoek voor de natte voeten meenemen. Heel attent.

Vanwege de bijzondere vanga moeten we nog een half uurtje eerder ontbijten (half zes) om om zes uur op weg te kunnen. Franca en Giacommo gaan met Joseph ook naar de vanga. Overigens hoeven zij volgens Joseph maar twee rivieren over te steken. Bij de eerste rivier zitten we tegenover elkaar. Franca en Giacommo trekken net de schoenen weer aan, wij trekken ze net uit. Tot zo ver gaat het nog goed. Maar na deze eerste rivier volgt riviertje na riviertje waarbij de gidsen steeds verwoede pogingen doen om met het verslepen van boomstammen iets van een gammele oversteek te maken. Vier paar benen doen verwoede pogingen om elke keer maar weer het evenwicht te bewaren en heelhuids en droog de overkant te bereiken. Franca heeft een camera met een enorme lens en zodra Joseph zegt ‘geef me je camera’, weten we al hoe laat het is, opnieuw een riviertje over. Na zo’n anderhalf uur komen we bij de zoveelste sloot. Deze is niet alleen als sloot onneembaar, maar heeft ook uitermate steile wanden. Giacommo geeft aan achter te blijven en ook Franca vindt de helling te steil. De vangaman heeft zich inmiddels bij het gezelschap gevoegd en hakt met zijn kapmes snel wat treden in de steile oever, terwijl Jozef en Claudio een boomstam tot brug hebben benoemd. Ik ga als eerste over, gevolgd door Rik. Franca heeft toch de steile helling overwonnen en zit haar schoenen weer aan te trekken. Giacommo zou op de rug van vangaman overgaan. Dat loopt mis. Zware Giacommo maakt tengere vangaman topzwaar en samen tuimelen ze achterover op de zandhelling, Giacommo met benen en schoenen in het water. Na een poosje is hij overeind geholpen en loopt dan met toch al natte schoenen en broek maar zo door de rivier. Kort daarna zijn we bij de palmboom waar de familie Bernier woont. Tot onze verbijstering klimt vangaman in de boom. Mevrouw Bernier kent kennelijk de truc. Ze vliegt even op, gaat mooi zichtbaar in de boom ernaast zitten en vliegt na de foto weer terug naar haar nest. Vangaman klimt weer uit de palm en de voorstelling is ten einde.

Voor de terugweg krijgen we van Joseph twee opties. Dezelfde weg terug of via een omweg naar het strand waarbij we twee overzichtelijke rivieren over moeten steken. De laatste optie is wat langer. Franca en Giacommo kiezen de eerste optie, wij de tweede. Het begint met een aangename tocht door het prachtige bos met af en toe leuke dingen om te zien. Maar het is vandaag al heel de dag bewolkt en het begint te regenen. Andere dagen heeft het ook wel eens geregend, maar nooit langer dan een paar minuutjes. Nu lijkt de regen serieuzer, dus komen de jasjes te voorschijn. Net als we die aan hebben, is het weer droog en even later zijn we op het strand, waar het voor regenjasjes toch echt te warm is en bergen we ze maar weer op. De eerste rivier is een makkie. Er liggen vissersbootjes en een van de vissers is zo vriendelijk om ons over te zetten. Niet veel later laat de regen echt zijn onvriendelijke gezicht zien en stroomt met grote gutsen op ons neer. Bij de tweede rivier moeten de schoenen echt uit en aan de overkant weer aan. Ooit wel eens geprobeerd om staand – zitten is overal veel te nat – in de stromende regen natte voeten vol grof zand in wandelsokken en hoge wandelschoenen te krijgen, terwijl het fototoestel in zijn regenhoes goed beschermd moet blijven? Ik kan jullie verzekeren het is hogeschool werk. Kleddernat komen we weer thuis. Franca en Giacommo waren net voor de bui binnen. Zij hebben op de terugweg alle rivieren met schoenen aan genomen, alles was toch al nat. En zo zijn alle vier de bejaarde padvinders weer veilig terug van de expeditie.

‘s Middags maken we nog een laatste wandeling door het mooie, groene bos. Iets korter dan anders, omdat de lucht erg dreigend is en twee keer natregenen op een dag overdreven is. We nemen afscheid van het regenwoud hier om door te gaan naar Nosy Mangabe voor we terugkeren naar Maroantsetra. We hebben hier een mooie tijd gehad en veel dingen gezien. Qua vogels – dit is een van de beste vogelgebieden van Madagaskar – valt de oogst wat tegen. Dat komt omdat ze in het dichte regenwoud moeilijk te spotten zijn en wij alleen vogels zien als we een echte vogelgids hebben die ze voor ons opzoekt. Bovendien hebben de vogels hier niet door dat wij ze alleen zien als ze goed zichtbaar, niet te ver weg op een tak zonder blaadjes gaan zitten en dat dan ook nog een poosje vol houden. De laatste middag begrijpt de geschubde grondscharrelaar – een vogel – het eindelijk. Hij gaat midden op het pad zitten en houdt dat een poosje vol. Om zeker te zijn dat die stumperige vogelkijkers hem echt zien, herhaalt hij zijn actie. Hij is zo prachtig. Met dank aan de coöperatieve grondscharrelaar nemen we afscheid van het mooie regenwoud hier.

Naar Nosy Mangabe

We verlaten – half zes ontbijt – alweer vroeg de lodge om naar Nosy Mangabe te varen. Hoe het ons daar vergaat en de verdere belevenissen, bewaren we tot de volgende brief.